06 september 2026

Drie woordjes

Paars. Tulpen. Chocola.

Tegen vier uur ’s middags, het tijdstip waarop ik langzaam naar de nacht toewerk, staat Hanna voor mijn deur met een grote bos tulpen. Haar tengere lijf verschuilt zich achter haar geschenk voor mij. Alleen haar stralende lach piept erlangs.

Hanna zegt wat gezegd moet worden. Zonder doekjes. Zonder schroom. Daarna zoeken we naar begrip voor anderen. Soms zijn dat onze eigen echtgenoten.

Een ander zou er geen chocola van maken.

Voor haar heb ik chocoladebrokjes naar eigen smaak gemaakt. De cranberrythee verwarmt. De wortelcake en chocolade eten we langzaam op.

Hanna draagt paars. De paarse tulpen hangen eerst over de rand van de grote vaas. De volgende dag staan ze fier rechtop.

Laatst zat ik bij Hanna thuis om zeven uur ’s avonds al te knikkebollen. Bij zonsondergang komt zij juist tot leven. Niet veel later ging ik naar huis om te slapen.

Onze chronobiologie loopt asynchroon.

Wij niet.

23 augustus 2026

Zo moeder, zo dochter?

‘Kindje toch, waarom zou je kinderen willen?’ zei Miriam.

Susanne keek haar moeder geschrokken aan. Dit had ze niet van haar vooruitstrevende moeder verwacht.

Ze wist drommels goed dat haar moeder het niet makkelijk had met een drukke baan en een kind om op te voeden. Op te voeden? Nou ja, eerder liet ze Susanne aan haar lot over. Vrijheid noemde Miriam dat. Goed voor de zelfstandigheid.

‘Iedereen begint eraan, mam,’ zei Susanne. ‘Laura, Meike, Chantal... We zitten allemaal in dezelfde fase. Het hoort er nu eenmaal bij. Het is een verrijking.’

Miriam schudde haar hoofd. ‘Vriendinnen, San? Denk je echt dat die blijven? Zodra de luiers beginnen, gaat ieder haar eigen gang. Dan ben je ze kwijt. Ik wilde vroeger ook verder leren, Susanne. Mijn hele toekomst lag open. En toen ontmoette ik je vader. Hij zwoer dat hij er altijd voor me zou zijn. Tot mijn buik te dik werd voor seks. Toen ging hij er vandoor met mijn beste vriendin. Zo veel zijn vriendinnen dus waard.’

Susanne hield haar adem in. Het was de eerste keer dat haar moeder hier iets over vertelde.

‘Ik heb kromgelegen voor jou, Susanne,’ ging Miriam verder. ‘Ik heb me uit de naden moeten werken om directiesecretaresse te kunnen worden. Maar die managementfunctie? Die kon ik vergeten. Omdat ik alleenstaand was. Omdat ik niet flexibel kon reizen. Omdat ik elke middag om vijf uur moest stressen om een kind van de opvang te halen. Mannen met exact dezelfde papieren liepen me aan alle kanten voorbij. Alleen maar omdat ik de zorg voor jou had.’

Susanne keek naar haar moeder. Voor het eerst zag ze haar als jonge vrouw. Met kind. Alleenstaand.

Miriam merkte de verandering in Susannes blik. Ze leunde achterover.

‘Wilde Chantal niet dierenarts worden?’ vroeg Miriam. ‘Moest ze die wens niet laten varen omdat ze in verwachting raakte? En is ze nu zo gelukkig met haar kindje? Ja, natuurlijk, de oxytocine giert door je lijf als je een kindje hebt. Helemaal voor jezelf, in de wolken voel je je. Maar op een gegeven ogenblik komt het moment dat je terugkijkt en ziet dat alles voorbij is. Dat er niks meer kan worden van wat je gedroomd hebt.’

Het werd stil in de kamer. Susanne keek naar haar roze gelnagels.
Plotseling rechtte ze haar rug. Haar bedelarmband rinkelde.

‘Ik snap het, mam,’ zei ze zacht. ‘Ik ga die fout niet maken.’

Miriam glimlachte. Ze pakte haar glas en proostte op de toekomst van haar dochter.

09 augustus 2026

De werkverschaffer

Tropische dag vandaag. En ik wil nog een verhaal inzenden. Deadline. Eerst maar de koelte van het ochtendgloren binnenlaten om de hitte straks buiten te sluiten. Terwijl ik daarmee bezig ben, is mannetje al opgestaan. Veel te vroeg voor zijn doen. Hij doet lekker zijn ding, maar ik sta om zes uur al in de achtertuin om de warme – zeer warme – dag voor te zijn. Planten voeden, uitgebloeide bloemetjes afknippen, liefst het hele steeltje. Ik zie liever geen steeltjes als tandenstokers uit de bloempot steken. Blaadjes uit de vijver scheppen, pompje op het droge, pompje schoonspuiten, pompje het water weer in en bijvullen. Stroom erop. Hoera, die spuit weer lekker.

De achtertuin verder sproeien; ik mag het nog wel, de boeren niet meer. Droogte in het hele land. Een subtropisch klimaat in Nederland, met een paar herfst- en wintermaanden waarin we ons herinneren wat hier ooit normaal was. Vliegtuigen brommen in de lucht. Daar gaan de vakantiegangers die aan de Middellandse Zee denken te vinden wat we hier allang hebben. Straks, daar: drukke stranden, een duik in een warme – veel te warme – zee. Geen verkoeling.

Tussendoor controleer ik de voortuin. Wat valt daar nog te doen wat niet tot morgen kan wachten? Eiwitten eten, schiet me te binnen, want ik moet mijn antibioticacapsule slikken. Lastig, twee stuks op een dag, het liefst precies om de twaalf uur. Om zeven uur slik ik de pil. Eindelijk weer verder met de voortuin.

Mannetje staat parmantig in de keuken zijn tweede koffie te zetten. Hij kijkt niet op of om. Mijn aanwezigheid is voor hem net zo vanzelfsprekend als de ongenaakbare zon die opkomt. Het wordt me te veel. Ik vraag hem dus om de kussens in de voortuin te leggen.

‘Waarom moet ik dat doen als je toch weggaat?’

Had hij dan niet gezien hoe hard ik al liep te hollen?

‘Omdat het pas kwart voor acht is,’ zeg ik. Mijn irritatie onderdruk ik niet.

‘Ja? En?’

‘Ik ga pas kwart voor tien weg. Er ligt een verhaal uitgeprint op de tuintafel. Dat wil ik nog lezen. Buiten!’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Oké. Ik vroeg het alleen maar om het te begrijpen.’

‘Dit verzin ik toch niet om jou bezig te houden? Ik ben toch niet van de werkverschaffing.’

26 juli 2026

Leegte

De oude man loopt wankelend naar zijn vertrouwde parkbankje. Er zit al een, in zijn ogen, jonge vrouw van middelbare leeftijd. Even overweegt hij om verder te lopen, maar na een bezoek aan zijn vrouw in het verzorgingshuis wil hij altijd even op dit bankje bijkomen.

‘Goede dag, jonge dame,’ zegt hij met zijn meest charmante toonzetting. Hij schrikt van zichzelf. Het voelt als vreemdgaan.

‘Dag meneer.’

Voorzichtig gaat hij aan de andere kant van het bankje zitten. Een tennisbal stuitert rakelings langs zijn voeten. Een hond met lange lichtblonde haren komt hijgend met schuim om zijn bek op hem afgerend. De oude man glimlacht. Vroeger had hij ook honden, maar op een gegeven moment kon hij het niet meer opbrengen om vier keer per dag die hond uit te laten. Zonder zijn Trudie was het niet meer gezellig. De hond pakt zijn bal, veegt zijn vieze bek af aan de broek van de man, alsof het een servet is. Zijn baasje in keurige Zuidas-outfit schreeuwt ‘kom hier Rex’ alsof hij ook een sociale kant heeft.

‘Leegte,’ zegt de man plotseling, zijn grijze kop lichtjes voorovergebogen. Scherpe, indringende, vaalblauwe ogen. Ogen die veel hebben gezien. Te veel. En nu zit hij hier naast een hem onbekende vrouw op het bankje. Het gras – een dag eerder gemaaid – ligt er dor bij, afgesneden van het leven, eenzaam te wachten om weggewaaid of vertrapt te worden tot een smurrie aan sneakers na die langverwachte plensbui.

De oude man verplaatst zijn gewicht wanneer hij zijn rechterbeen over zijn linker slaat. Het bankje kraakt zachtjes onder hem. Vroeger zat hij hier hand in hand met Trudie. Nu is hij lichter geworden, uitgehold door verdriet.

Na een lange stilte vervolgt de oude man:

‘Trudie, mijn lieve Trudie, ik kon haar niet meer thuis verzorgen, ze liep steeds weg. Nadat de politie voor de derde keer was ingeschakeld om haar te vinden, kwam er iemand van maatschappelijk werk langs, of was het de sociale dienst? Ik weet het niet meer. Indringend werd op mij ingesproken. Ze zeiden dat het te gevaarlijk was voor Trudie om nog thuis te wonen, dat het voor mij te belastend zou zijn. Maar welke last het ook is voor mij; ik wil Trudie thuis hebben, ook al kan ik niet meer met haar praten, ze begrijpt niets van wat ik vertel. Ze is alles vergeten, ons hele gezamenlijke verleden, alsof het er niet was, alsof wij als echtpaar er nooit waren. Elke dag bezoek ik haar, veeg het speeksel van haar kin, dep haar tranende ogen droog, kijk diep in haar ogen om niets te zien. Trudie is weg. Ik zit hier altijd even bij te komen voordat ik mijn voordeur open en de leegte van mijn huis – ooit ons huis – mij overvalt.’

Aan de andere kant van het bankje luistert de vrouw van in de vijftig. Vanuit haar ooghoeken kijkt ze naar de bibberende handen van de man. Haar grijze uitgroei verraadt een hang naar niet oud willen worden, al ontbreekt het haar de laatste tijd aan de moeite om de kapper te bezoeken. ‘Voor wie?’ vraagt ze zich elke ochtend voor de spiegel af. Het is een dagelijkse keuzestress tussen het tegenhouden van de tijd en het gemak van een leven zonder schaamte; een tussenpauze tussen een verleden vol gemiste kansen en de vrijheid om met geen enkele imaginaire vent rekening te hoeven houden.

De vrouw blijft naar het gras kijken.
Uiteindelijk zegt ze, meer tegen zichzelf dan tegen de oude man:

‘Wat heeft u een geluk gehad met uw Trudie. Vijftig jaar lang…’ Haar spieren spannen zich voordat ze verder spreekt:

‘Zelf heb ik nooit samengeleefd met wie dan ook. Geen man, geen kinderen, geen kleinkinderen. Elke keer als ik thuiskom is er leegte. Mijn hele leven lang al. Leegte.’

De man staat vermoeid op en zegt:

‘Het was mij aangenaam met u gesproken te hebben. Een fijne dag nog.’

De vrouw, van haar stuk gebracht, antwoordt:

‘Ik wens u veel sterkte.’

In zichzelf gekeerd hoort ze de man 'dank u' mompelen.

12 juli 2026

Paradepaardje op Vinted

Kleren zat. Mijn kasten puilen uit van de gekochte en vooral zelfgemaakte kleding. Verkopen op Vinted, dat lijkt me wel wat.

Ik begin bij de kast met kleding voor warme zomers en bijzondere gelegenheden. Zelfgemaakte, kleurrijke jurkjes: ruimvallend en makkelijk aan te trekken, bijna als die overgooiers van vroeger. Het zat zo lekker, net als mijn comfortabele kleding nu: wijde jurken, sportbroeken met stretch en breed elastiek, en altijd mijn gympen. 'Sloompie-stijl' noem ik het, waarbij de sportschoenen de finishing touch zijn. Het is pure noodzaak; alleen dankzij de demping van die schoenen kon ik ondanks zware artrose blijven lopen.

Dan valt mijn oog op een zwart jurkje. Ik houd het tegen mijn gezicht en snuif de geur op. Het is de geur van mijn moeder. Haar parfum – verdampt, maar nog altijd nadrukkelijk aanwezig.

Mijn gedachten dwalen af naar die ene zomerse dag in de Beethovenstraat. We liepen een haute couture-zaak binnen. Alles ademde luxe en mijn moeder voelde zich er direct thuis. We zochten iets voor haar, maar het enige dat haar echt entzückte, was dit zwarte, elegante jurkje met de lange ritssluiting op de rug. Bij zo’n jurk was lenigheid in de schouders een vereiste. Lenigheid om er leuk uit te zien. Lenigheid om de elegante vrouw te zijn tussen een overvloed aan testosteron.

Ik stond voor de vrijstaande spiegel en zag een mannequin. De stof volgde de zandloperlijnen van mijn lichaam, mijn kuiten piepten er gespierd maar rank onderuit. Mijn moeder keek in de spiegel en zag zichzelf, veertig jaar geleden. Met een zwart nylon overslagjasje erbij was ik in één klap 'gekleed'. Ze rekende met plezier af, alsof ze haar eigen geluk kocht.

Ik wist eigenlijk niet wanneer ik het nauwsluitende, mouwloze ding moest dragen. Naar mijn werk? Nee, daar droeg ik mantelpakjes. In zo’n jurkje moest je keurig stilzitten, met de benen over elkaar. Uiteindelijk droeg ik het tijdens een afscheidsborrel, inclusief het fladderige jasje en zwarte hakjes. Mijn toen nog slanke lichaam kwam volledig tot zijn recht. Ik voelde me een modepop, door mijn moeder aangekleed.

Het wordt tijd dat ik de nostalgie laat voor wat het is. Waarom blijven we toch zo hangen in dat verleden? Voor mijn moeder was ik graag het uithangbord waar ze trots op kon zijn. Ik wilde de dochter zijn die zij wenste, zolang ze maar van me hield. Maar gaandeweg kwam het pijnlijke inzicht: ze hield alleen van de uiterlijke schijn, van de perfecte dochter die een kopie was van wie ze zelf had willen zijn. Alleen als haar paradepaardje was er plaats voor mij in haar leven. Voor een eigen mening was geen ruimte. Een weerwoord werd bestraft. Geen fysieke klap, maar een emotionele: negeren of zwartmaken.

Zo zwart als het jurkje dat ik nu in mijn handen houd. Ik ruik er nog één keer aan en merk dat het cliché 'vervlogen tijden' de lading dekt. De tijd vervliegt, alleen haar geur blijft even hangen. Mijn geur, van heel lang geleden.

Ik hang de jurk op de paspop en maak de foto’s. Het overjasje drapeer ik eroverheen. Klik. Ik open de Vinted-app en typ:

'Design-tenue in zwart: nauwsluitend jurkje met ruimvallend overjasje voor een zomers briesje aan het strand. Voor de Parisienne van nu. Maat 40. Voor vijftig euro kun jij zijn wie ik ooit was.'

28 juni 2026

Haar lach blijft online

Ooit was ze mijn beste vriendin. Maar beetje bij beetje wilde ze steeds nadrukkelijker van mij horen hoe geweldig ze was. Ze zocht bevestiging. Geruststelling. Te pas en te onpas corrigeerde ze mij. Is het nou een Indisch of Indonesisch recept? Daarna een zenuwslopend lesje over het verschil. Alsof het daarom ging. Zij had Indonesische roots. Ik bezocht Duitse scholen in Spanje en Duitsland. De geschiedenislessen gingen bij mij alleen over de Tweede Wereldoorlog.

Ooit zei ik tegen haar dat zolang ze zinnige dingen zei tussen al die venijnige opmerkingen ik met haar bevriend zou blijven. Ze moest lachen. Het was geen grap. Het was een waarschuwing.

Op onze laatste afspraak bij mij vertelde ze alleen over zichzelf. Tussendoor gaf ze mij ongevraagde adviezen, waaronder het dringende advies om van mijn man te gaan scheiden. Het was genoeg geweest. Per mail liet ik haar weten dat ik niet meer wilde afspreken. ‘Oké, als je weer wilt afspreken hoor ik het wel.’ Elke keer als ik haar miste, las ik mijn laatste mail aan haar. Het hielp om niet in de valkuil van nostalgie te vallen.

Vijf jaar later hoorde ik per toeval dat ze aan kanker was overleden.

Wat als ik geweten had dat ze doodziek was?
Misschien was ik uit schuldgevoel gegaan.
Misschien uit sociale plicht.

Haar stralende lach. Nog steeds op sociale media.

14 juni 2026

Meneer Ruud

In de wachtruimte van de fysiotherapie. Het speelgoed op het peutertafeltje netjes opgestapeld. De receptie onbezet. Zaterdag na het sporten.

Vier vrouwen van middelbare leeftijd. Allemaal de menopauze allang voorbij. Vergeten het boodschappenlijstje met maandverband en tampons erop. Vergeten de klodders gestold bloed in tinten bruin, donkerrood en paars. Maar de echte klachten waren niet vergeten. Het nachtelijke zweten. Het doorlekken op het werk of in bed. De opvliegers die uit het niets kwamen. Het korte lontje voor iedereen die iets wilde. Vooral met rust gelaten worden – ondergaan wat blijkbaar bij vrouw-zijn hoorde.

We moesten door.
Dus gingen we door.

Alles kwam boven. Alles werd gedeeld. Overgangsklachten. We voelden ons verbonden door een gemeenschappelijk lot.

Tot Ruud hijgend met zijn blauwe kruk moeizaam naar ons toe stiefelde. De schoolmeester uit de jaren vijftig, dacht ik.

‘Menopauzeklachten komen door een slechte nachtrust. De rest is onzin.’

Ik dacht terug aan mijn eigen overgang. Weinig klachten. En van slaapgebrek was al helemaal geen sprake. Behalve die keren dat ik van plakkerige dijbenen wakker werd. Terwijl ik daar nog over nadacht, gingen de andere vrouwen met Ruud in gesprek. Tot mijn verbazing luisterden ze aandachtig naar hem.

Ik pakte mijn spullen en liep weg.
Niemand die het in de gaten had.

31 mei 2026

Rucola voor vier dagen

Ben ik ’s ochtends tijdens mijn gouden uren rucola aan het uitdunnen. Liever schrijf ik. Maar jij wilt elke avond rucola op je brood. Dus kweek ik die in onze moestuinbak. Voor mezelf hoeft het niet.

‘Ik heb de plantjes uitgedund.’
‘Fijn.’
‘Kijk, een zakje voor vier dagen.’
‘Lekker.’

‘Het was veel werk, hóór,’ zeg ik in een laatste poging iets van erkenning los te peuteren.

‘Zullen we het de volgende keer samen doen?’

‘Liever doe ik het alleen.’
‘Oké.’

Daarna vertelt hij half afwezig dat hij later terug zal zijn van sporten. Eerst nog boodschappen doen. Gedemineraliseerd water halen om de zonnepanelen schoon te spuiten. Pollen. Extra opbrengst. Zijn hobby.

‘Wat zie je er leuk uit, Eveline.’
Niet voor jou gedaan.

‘Lekker, die aardbeien.’
Eindelijk zelf schoongemaakt, omdat jij daar nooit aan toekomt.

‘Wat ben je narrig.’

‘Hm…’

‘Is er iets?’

‘Ja, er is iets. Ik ben het zat dat ik van alles voor jou doe en jij denkt dat ‘lekker’ of ‘wat zie je er leuk uit’ genoeg is.’

‘Heb ik iets verkeerd gedaan?’

‘Ja. Ik ben moe van altijd maar zorgen en vervolgens afgescheept worden met dat oppervlakkige gedoe.’

En toen was er ruzie.

17 mei 2026

Een oplossing

Met grote passen stak hij het plein bij De Entree over. Glas, staal, lucht. Alles glom. Ze zag hem al van ver: zijn lange haar, de gehaaste tred, die blik die altijd net langs mensen heen ging.

‘Hoi Maarten,’ zei ze. ‘Fijn dat je kon komen.’ Haar stem klonk opgewekt. Hij bleef staan. Eén hand verdween in zijn broekzak. Sleutels ritselden. Bij zijn heup glansde een klein labeltje: Armani.

‘Ik heb zo een meeting,’ zei hij. ‘Wat is er zo dringend dat dit niet via een app kon?’

Ze had dit geoefend. Onder de douche. In de trein. Voor de badkamerspiegel.
‘Ik ben zwanger.’

Hij ging zitten. Het rieten stoeltje kraakte. Hij schoof zijn haar naar achteren.
‘Gaat het wel met je?’
‘Hoe kan dit? Je nam toch de pil?’

‘In het begin wel. Ik kreeg er last van. Ik ben gestopt.’

Nu keek hij haar aan. Strak. Misnoegd.
‘Wat, je bént ermee gestopt?’

‘We waren toch samen,’ zei ze. ‘Ik dacht dat we …’
‘Godverdomme.’

Hij liet zijn hoofd zakken en wreef met duim en wijsvinger over zijn neusbrug.
‘Dit kan ik er niet bij hebben.’

Karin keek naar haar handen. Haar ringen: te veel blakergoud, te veel voor deze povere ontmoeting. Vooral die opaal van haar oma was ongepast. Een te sentimenteel steentje.

‘Wanneer laat je het weghalen?’ vroeg hij.

Karin trok weg. Een rilling over haar rug.
‘Dat kan ik niet,’ zei ze. ‘Dat past niet bij mij.’

Hij leunde achterover.
‘Je kunt wel met me naar bed, maar dit ineens niet?’

Een snelle, snakkende adem.
‘Ik hoopte dat je verantwoordelijkheid zou nemen,’ haperde ze.

Een schelle lach.
‘Verantwoordelijkheid? Karin, doe eens normaal.’

‘Je bent egoïstisch,’ klonk het zwak.

Maarten stond abrupt op.
‘Ik ga geen vader worden. Niet nu. En al helemaal niet met jou.’
Hij liep weg.

‘Dan ga ik wel voor adoptie!’ riep Karin hem na.

Hij liep door zonder nog om te kijken. Karin bleef als versteend zitten terwijl om haar heen het leven doorging. Een mes tikte tegen een glas. Iemand zei iets over een reis naar Ibiza.

Adoptie. Hoe haalde ze het in haar hoofd om zoiets te roepen.

Karin ging door met haar werk. Ze regelde de catering als er overgewerkt moest worden. Ze bemiddelde bij ruzies. In haar flatje in Nieuw Sloten zette ze planten neer. Henk, haar coördinator, merkte haar buikje op. Hij kende Karin als iemand die dingen oploste. Maar hij zat met onderbezetting. Na een korte ziekmelding wegens migraine wilde hij haar spreken.
Je weet dat ik onderbezet ben. Ik kan het me niet veroorloven dat je langer uitvalt. Omdat je een contract voor bepaalde tijd hebt, kondig ik nu al aan dat het niet verlengd gaat worden.’
‘Hoe moet ik dan verder?’
‘Ik begrijp jouw penibele situatie, maar ik kan er ook niets aan doen. Het is jouw keuze om zonder man een kind te krijgen.’

Wat wist hij er nou van?
‘Neem de rest van de dag vrij.’

‘Mama,’ snikte ze aan de telefoon ‘mijn contract wordt niet verlengd.’
‘Maar schat je deed het toch zo goed?’
‘Ik ben in verwachting en Maarten wil dat ik het laat aborteren.’
‘Hoe ver ben je?’
‘Wat bedoel je mama?’ piepte Karin.
‘Je zwangerschap. Kun je er nog iets aan doen?’
‘Iets aan doen? Bedoel je weg laten halen?’
‘Hoe heb je het zover laten komen?’
‘…’
‘Heb je wel nagedacht over je toekomst?’
Alsof zij dat ooit had gedaan.
‘…’
‘Een ongehuwde moeder…’
Karin slikte. Ze belde Bas en vertelde hem alles.
‘Joris en ik lopen al een tijdje met het idee om op zoek te gaan naar een draagmoeder.’
‘Wat?’
‘We praten wel eens over kinderen,’ zei Bas.
‘Bas, ik weet niet hoe verder.’

In het weekend reed ze naar haar ouders in Purmerend. Haar moeder deed open.
‘Lieverd.’

Dat ene woord was genoeg om iets te laten bezwijken waar Karin zich wekenlang tegen had verzet. Aan de keukentafel werd weinig gezegd. Haar vader keek naar het tafelblad. Haar moeder schoof haar stoel dichterbij.
‘Heb je dat écht tegen Maarten geroepen?’ vroeg ze. ‘Van die adoptie?’
Karin knikte, terwijl haar hand op haar buik bleef liggen.

Die nacht lag ze wakker in haar oude slaapkamer. De lichtgevende sterren zaten aan het plafond, vergeeld aan de randen. In haar buik voelde ze beweging. Ze draaide zich om en drukte haar gezicht in het kussen. Snikte.

Daarna werd alles praktisch. Formulieren. Instanties. Een maatschappelijk werker met een stem zonder rimpels. Ze had het over structuur. Overzichtelijkheid in het belang van het kind. Haar vader kocht een tweedehands wieg. Zette hem in elkaar. Haar moeder waste haar oude babykleertjes.

Toen belde Maarten.
‘Mijn ouders willen jou en je ouders spreken.’
‘Wat?’
‘Zaterdag. Twee uur. Purmerend.’
‘Waarom?’
‘De baby. Een oplossing.’
Een trilling. Maarten had opgehangen.

Ze huilde. Haar vader legde een hand op haar schouder. Hij leidde haar naar de keuken en zette thee.

Zaterdagmiddag ging de bel. Maarten en zijn ouders. Aan tafel nam zijn moeder direct het woord:
‘Karin, we begrijpen dat dit ingewikkeld is. Maar we willen vooral naar een juiste oplossing toe.’
‘Wij willen het kindje,’ zei ze.
‘Jullie?’

Maarten keek haar met vermoeide blik aan.
‘Jij wilde adoptie. Dan is dit logisch.’

Zijn vader kuchte.
‘Een kind heeft stabiliteit nodig,’ zei hij. ‘En jij…’
Hij keek om zich heen. Naar de gang. De planten in de vensterbank. De vergeelde vitrage.
‘Dit is geen eenvoudige situatie.’
‘Willen jullie haar kind afpakken?’ vroeg Karins vader.
‘Nee hoor,’ zei Maartens moeder. ‘We willen het alleen een fatsoenlijk thuis geven.’
‘En wat is er mis met ons huis? Soms niet keurig genoeg voor jullie smaak?’

Karin voelde een schop. Ze legde haar hand op haar buik.

‘Nee, zo bedoel ik het niet,’ zei Maartens moeder.
‘En nu mijn huis uit,’ zei Karins vader, terwijl hij opstond. Zijn stoel schraapte over de vloer. De Friese bruidsklok tikte door. Buiten trok een brommer op.

In de gang hoorde ze Maartens moeder nog fluisteren:
‘Ze maakt het zichzelf onnodig moeilijk.’

De deur viel dicht. De moeder keek naar haar gevouwen handen op tafel. Een lichte trilling.
De vader keek doods naar het raam. Karin richtte haar blik op haar vader.

Die avond belde ze Bas.
‘Ze willen mijn kind hebben,’ zei ze.
‘Dat gebeurt niet,’ zei hij. ‘Maar je moet nu wel ophouden met netjes zijn.’
Dat bleef hangen. Ophouden met netjes zijn.

Ze maakten plannen. Kort. Praktisch. Namen. Mogelijkheden. Dingen die vastgelegd moesten worden voordat iemand anders het verhaal over haar ging opschrijven.

Toch lag ze die nacht wakker. Ze zag enveloppen voor zich met officiële logo’s. Haar naam in dossiers. Mensen die haar zouden beschrijven in taal die zogenaamd neutraal was en daardoor juist vernietigend. Emotioneel belast. Kwetsbaar. Twijfelend.

Ze dacht aan Maarten, aan haar vader, aan haar moeder. Aan Bas en Joris, die een kinderkamer inrichtten. Haar vader maakte afspraken, schreef namen op, bewaarde papieren in mapjes. Hij ging samen met haar moeder door met de inrichting van de babykamer. Geel en roze. Karin werd er weemoedig van.

De weeën zetten in. Groene lakens. Te fel licht. Haar moeder hield haar hand vast. Karin kneep erin. Het eerste huilen.
‘Een meisje,’ zei de verpleegkundige, opgetogen alsof ze net haar eigen kind had gebaard. Ze legden haar op Karins buik. Karin keek naar haar.

Later kwam het formulier. Bij ‘vader’ bleef haar pen hangen. Ze dacht aan het terras. Aan zijn stem. Aan het woord adoptie. Karin schreef: vader onbekend.

Die avond zat ze op bed met het kind tegen zich aan. Bas en Joris waren er. Bloemen op tafel. Een plastic ziekenhuiskan op het nachtkastje.

De volgende ochtend hield ze het kind in haar armen.
Bij de balie schoof iemand een formulier naar haar toe.
Haar telefoon trilde.

Maarten.

Ze keek ernaar. Liet hem overgaan. Het kind maakte een zacht rochelend geluidje.
Ze pakte haar pen, trok één streep onder de regel vader onbekend en schoof het papier terug.
‘Is dit zo goed?’ vroeg de verpleegkundige.
Karin knikte. Haar telefoon trilde opnieuw.


03 mei 2026

De kater

Aangekomen bij het bushokje hoopte Joop dat hij niet de laatste bus had gemist. Hij dacht na over wat hij tegen Anne had gezegd. Ben je aangekomen? had hij gevraagd. Kennelijk had Anne daar weer iets achter gezocht. Zo had hij het toch niet bedoeld. Het motregende. Het was natkoud. Hij droeg een veel te dunne overjas.

Daar kwam de bus. Joop stapte in en na een keer overstappen was hij weer thuis. Wasgoed hing en lag overal. Het rook muffig. Er was al weken niet schoongemaakt. Hij drukte op de lichtschakelaar en een suffige plafonnière van de kringloop verspreidde het ongezelligste licht denkbaar. Bij Anne was het warm en knus. Ze had het uitgemaakt. Waarom eigenlijk?

In de keuken zat een kat. Een Europese lapjeskat, wist hij nog van de korte stage die hij ooit bij de dierenarts had gelopen. Dierenarts of dierenartsassistent was niets voor hem. Maar hij had toch helemaal geen kat? Waar kwam dat beest in godsnaam vandaan? Hoe dan ook, de kat had honger. Hij pakte een blikje tonijn uit het beige, gammele keukenkastje, trok het open, deed de inhoud in een schaaltje dat nog in de gootsteen stond en zette het voor de kat neer. Joop zocht iets te eten voor zichzelf, maar vond niets. Hij gaf de kat een rotschop en at de rest van de tonijn zelf op.

19 april 2026

Snot

Neus half verstopt. Een prikkel. Airco zoemt. De nies kan ik niet onderdrukken. Met mijn gezicht naar beneden en mijn armen om mijn hoofd barst de explosie. Snot op mijn net gewassen zwarte sweater. Ik wrijf het erin. Een witte vlek blijft over. Ik vervolg de yoga-/pilatesles. Namasté. Ik neem een slok water uit mijn Ikea-bidon. Ik pak mijn blauwe mat op en loop langs de fitnessapparatuur. Tussen de loopband en de legpress wurm ik me naar de muur, waar ik de mat aan de haken hang. Ik kijk om; gelukkig is iedereen druk met elkaar en hoef ik aan niemand vriendelijk te vragen of ik het matje even mag overnemen.

In de vestibule zitten een paar dames gezellig met elkaar te keuvelen. Ik zeg gedag en loop door de glazen deuren naar buiten.

Ik pak mijn fiets en ga naar de bieb. Een reservering staat voor me klaar in de stellingkast van twee meter hoog en anderhalve meter breed. Grote oranje tussenstukken met letters op alfabetische volgorde. Ik hoor een man oorverdovend schreeuwen, een kind hartverscheurend krijsen. Hier wordt niet geschreeuwd. Hier worden lessen Nederlands gegeven, computerlessen. In de hoek zitten oude mannen de krant te lezen. Alles gedempt. Alles onder controle. Misschien kijken ze daarom niet.

Ik spied door de stellingkast. Een man die je eerder in een achterstandswijk maar beslist niet in een bibliotheek in het keurige Haarlem verwacht, staat achter een kinderwagen en schreeuwt: ‘ophouden nou’. Verteerd door angst krijst het jochie nog harder. Mijn hart verkrampt. ‘Stil zijn’ echoot het door de drukke zaal. Iedereen bladert, loopt, kijkt in schermen.

Het liefst zou ik iets zeggen. Hoe harder je schreeuwt, hoe harder je kind gaat krijsen. Of: helpt dit?

Maar ik zeg niets.

Ik weet hoe dit zou gaan.
Hij richt zich op mij. Gevaarlijk luidruchtig.
Mijn stem gaat omhoog.
Mensen bemoeien zich met mij. ‘Waar ik me mee bemoei.’

Hij gaat vrijuit.

En ik word weggehoond.

Als ik met een vriendin was geweest, had ik iets kunnen zeggen. Net luid genoeg. Zacht genoeg dat hij zich niet aangesproken voelt.

Maar ik ben alleen.

Ik voel me kwetsbaar.

En deze man is precies de figuur waar ik met een boog omheen loop.

Hij kijkt me plotseling recht aan. Donker haar. Ogen die wantrouwend mijn ziel in steken.

Naast de kinderwagen staat een vrouw. Blond. Mager. Lang. Voorovergebogen schouders. Ze zegt niets. Haar handen krampachtig om haar schoudertasje geklemd. Ze wacht.

‘De mensen hebben last van hem, ik ga naar het winkelcentrum,’ zegt hij tegen haar.

Ze knikt.

Bij de lenersconsole sta ik met mijn rug naar hen toe. De man loopt met de kinderwagen de bibliotheek uit. Het gekrijs galmt mee.

Het kind heeft een krentenbol in zijn hand. Geen hap eruit gebeten.
Wel stevig vastgehouden.

Het snot druipt uit zijn neus.

05 april 2026

Koude lucht

Lekker als je zondagochtend naar de sportschool gaat.

Lekker dat ik dan allerlei huishoudelijke klusjes
tegelijkertijd
en tussendoor
kan doen.

Allemaal bezigheden
die niet per se nu hoeven.
Die kunnen wachten.

Maar toch.

Even in mijzelf gekeerd,
zonder jouw aanwezigheid in huis.

Jouw behoefte aan contact.
Mijn behoefte om met rust
gelaten te worden.

De open dozen van de eetkamertafel
heb je opgeruimd.

Wat er nog in moest
ligt op het aanrecht.

Je sporttas
bezet de eetkamertafel.

De dozen haal ik weer uit de kast.

Ik ruim alles op
wat ik had laten liggen.

Voorzichtig
om je sporttas heen.

Naar boven.
Daar verder met mijn eigen dingetjes.
Zonder jou.

Het wasgoed bij elkaar gesprokkeld.

Nog eventjes geduld
voordat je echt weg bent.

‘Kan het warm water uit?’
‘Weet niet.’
‘Oké, dan laat ik de boiler aan.’

Ik denk na.

‘De boiler mag uit.’

Gel in mijn natte haar.
Handen wassen met koud water.
Toch maar warm water gebruikt.

Potjandorie.

Waarom die vraag?

Eindelijk.
Hij is klaar om te vertrekken.

‘Nou, tot straks. Ik weet nog niet hoe laat ik thuis ben.’

Kan mij wat boeien.

‘Ik ben vanmiddag weg.’
‘Ja, dat weet ik.’

En ik kan het niet laten.

‘Waarom vroeg je mij of je het warme water uit kon doen?’

‘Ik dacht dat je klaar was in de badkamer.’

‘Nou, ik was nog niet klaar.
Een mens wil graag ja antwoorden.
Stel die vraag zondagochtend maar niet meer.’

‘Oké.’

Overleg.
Overleg.
Overleg.

Interpunctiecommunicatie.

Oeverloos gezwam.

Zijn ding.

Ik doe gewoon mee.

De deur valt dicht.

Ik loop met mijn wasgoed naar zolder.

Chloordamp slaat op mijn ogen.

Kon die fles bleek in het fonteintje
nou echt niet wachten?

Hier heb ik geen zin in.

Ik zet alles tegen elkaar open.

De koude lucht
trekt door zijn werkkamer.

Ik ga echt niet
in chloordampen
de was in de wasmachine doen.

Ik ga eerst schrijven.


22 maart 2026

Van geen kwaad bewust

Willem was de toeschouwer van zijn eigen leven.

‘Wat vind je er nou van dat ik die kerel voor rot heb gescholden, Willem?’
‘Moet jij weten.’
‘Heb je dan geen mening?’ vroeg Tessa verontwaardigd. Scheldpartij tegen de buurman die zijn coniferen tot ver in hun tuin had overhangen. Die buurman wilde maar niet snoeien en hij wilde ook niet dat zijn buren het deden.

Willem haalde zijn schouders op, een beweging die hij in de loop der jaren had geperfectioneerd. Niet te groot, niet te opvallend. Een schouderophalen dat niets losmaakte. ‘Het zijn maar coniferen,’ zei hij. ‘Ze groeien nou eenmaal.’

Tessa keek hem aan alsof hij net had gezegd dat de zwaartekracht een kwestie van smaak was. ‘Het gaat niet om die coniferen,’ zei ze. ‘Het gaat erom dat hij gewoon doet alsof wij niet bestaan.’

Aantrekkelijk uitgangspunt. Alsof ze niet bestonden. Dat zou een hoop schelen. Hij dacht aan zijn werkkamer, aan de headset die hij overdag droeg, aan de spreadsheets waarin alles klopte zolang niemand erdoorheen praatte.
Bestaan was overschat.

‘Ik zou het laten,’ zei hij. ‘Je maakt je alleen maar druk om dingen die niet belangrijk zijn.’

Tessa zuchtte. Ze zuchtte vaak de laatste tijd, alsof ze lucht tekortkwam in haar eigen huis. Het huis dat zij draaiende hield. De eengezinswoning met de beige bank, de fotolijstjes met de oude foto’s van haar en Willem op vakantie op Mallorca.
Het geluk spatte ervan af.
Toen.

Het wandrekje met inspirerende quotes verbleekte, het fletse papier bolde op gevangen tussen een stevig kartonnetje en het plastic. Willem had er geen belangstelling voor, vond het rommel, maar zou het nooit weghalen. Live, laugh, love vond hij een prima motto zolang het geen actie vereiste.

De volgende ochtend stond Tessa al vroeg in de tuin.
Willem hoorde het pas toen hij achter zijn laptop zat.
Het scherpe, nerveuze geluid van een elektrische heggenschaar.
Hij verstijfde.
Geluid.
Chaos.
Zijn concentratie weg.

Hij liep naar het raam en zag haar staan, met een vastberadenheid die hij alleen kende van de keren dat ze de keukenkastjes opnieuw indeelde.

De coniferen werden niet netjes bijgewerkt; ze werden aangepakt.
Alsof Tessa met elke afgeknipte tak iets corrigeerde wat al jaren scheef stond.

Willem dacht aan de buurman. Aan zijn kale schedel, zijn altijd net te strakke T-shirts. Aan de muziek. André Hazes, luid en ongegeneerd.
De buurman wist dat Willem thuiswerkte. Dat had Willem hem ooit verteld, in een poging tot sociaal verkeer die hij later betreurde.

Hij wilde naar buiten lopen.
Hij wilde zeggen: Tessa, doe even rustig. Misschien heeft hij wel gelijk.
Maar hij zei niets.
Vooral geen ruzie.
Het geschreeuw van zijn vrouw maakte hem klein. Bang. Alsof alles op instorten stond. Daarom hield Willem zich aan één regel: wat niet gebeurde, was beter.

Vooral geen ruzie.
Niet met Tessa.
Niet met de buurman.

De muziek galmde een uur later door de muren zoals een pneumatische boorhamer die zijn trommelvliezen zouden openbreken.

Het was geen subtiele overgang. Geen opbouw.
Het was alsof iemand een raam opensmeet en de wereld naar binnen gooide.
Zij gelooft in mij galmde door de muur.

Willem probeerde het een hoopvol nummer te vinden, maar het dreunde in zijn borstkas, een lichte paniek overviel hem.

Tessa kwam naar binnen, met rode wangen. Conifeertakjes op haar trui.

‘Hij doet het expres,’ zei ze. ‘Hij probeert jou te raken.’

Dat was nieuw.
Dat iemand hem raakte.
Willem keek naar zijn scherm.

‘Misschien had je het niet moeten doen,’ zei hij voorzichtig.

Ze keek hem aan. ‘Dus dit is mijn schuld?’
‘Ik zeg alleen…’
‘Je zegt niks,’ onderbrak ze hem. ‘Dat is nou juist het probleem. Jij zegt nooit wat.’

Niks zeggen was een keuze.
Een vreedzame. Een volwassen manier om door het leven te gaan.

Hij ging weer zitten, zette zijn noise-cancelling koptelefoon op.
De cijfers flikkerden.

’s Avonds, toen de muziek was gestopt en de coniferen er gehavend bij stonden, vertelde Tessa dat ze had gehoord dat de vrouw van de buurman was weggelopen.
‘Omdat hij niet luisterde,’ zei ze. ‘Nooit. Altijd ging hij zijn eigen gang. Nooit hield hij rekening met haar.’

Luisteren werd overgewaardeerd. Het leidde tot verwachtingen.

Soms probeerde hij het.
Dan kwam hij met oplossingen.
‘Zat ik te wachten op jouw advies?’

‘Weet je,’ zei Tessa, terwijl ze de vaatwasser inruimde met een precisie die iets dwangmatigs had, ‘soms denk ik dat jij ook zo iemand bent. Iemand die gewoon wacht tot het over is.’

Willem wilde zeggen dat wachten een onderschatte vaardigheid was. Dat veel problemen zichzelf oplosten als je ze met rust liet.
Maar hij zweeg.

Later die avond lag Willem in bed, luisterend naar de stilte. Hij dacht aan de buurman, aan diens vrouw die op een dag gewoon met een andere man naar Turkije was vertrokken. Hij stelde zich voor hoe zij had gezegd dat ze niet meer gehoord werd. Hij stelde zich ook voor hoe het zou zijn als Tessa ooit bij hem weg zou gaan. Hij kon dan niet zeggen dat hij het niet had zien aankomen.

Tessa was altijd duidelijk geweest.
Te duidelijk.
Pijnlijk duidelijk.

De gedachte dat hij er alleen voor zou komen te staan, zonder die wervelwind in zijn leven, kon Willem niet aan.

Hij dacht aan de buurman.
En aan hoe dat eindigde.

Naast hem ademde Tessa onregelmatig.

De volgende ochtend kocht hij een groot bos bloemen. Op het kaartje schreef hij: Sorry.
Hij twijfelde even of hij erbij zou schrijven waarvoor. Maar hij wist ook niet waarvoor. Tessa was kwaad op hem, terwijl hij toch niets verkeerd had gedaan.

Hij wilde dat het weer normaal werd.
Wat dat ook was.

08 maart 2026

Een onschuldige vraag

Anja zei dat ze de hele week niet naar de sportschool was geweest. Terloops, bijna gedachteloos. Meer als een poging tot verbinding dan als mededeling. Klaas zat achter zijn bureau, voor het grote scherm waarop cijfers en grafieken elkaar afwisselden. Alles in huis was meetbaar. De buitenverlichting, de fontein, het stroomverbruik wanneer zij water kookte. Klaas zag het allemaal. Aan het eind van de maand werden de cijfers naast die van vorige jaren gelegd, en naast die van andere huishoudens. Minder verbruik was reden voor tevredenheid. Meer verbruik vroeg om uitleg.

Anja werd er licht onrustig van. Niet omdat ze iets te verbergen had, maar omdat ze zich niet kon voorstellen waarom alles verklaard moest worden. Ze kon leven met onverklaarbare feiten. Met weken die anders liepen dan gepland. Ze wilde schrijven — verhalen, essays — vroeg in de ochtend, wanneer haar hoofd nog openlag. Weggaan midden in zo’n proces, om een les te volgen in een sportschool, voelde als een onderbreking die meer kostte dan ze opleverde. De afgelopen week had ze hard doorgewerkt, alsof haar leven ervan afhing. Geen zin in verplichtingen die konden wachten. Geen sociaal hallo of goede morgen. Thuisblijven voelde als doorgaan met de schrijfflow. Haar brein ratelde door. Het toetsenbord kreeg 270 aanslagen per minuut te verduren. Het lichaam in de kramp. Schouders gespannen. Het komt wel weer goed, wist ze al die tijd. Klaas had elke dag wel een update gehad. Over hoe ze zich voelde. Waarmee ze bezig was. Die zin in sport, in gezelligheid op de sportschool, komt vanzelf wel terug. Anja had er alle vertrouwen in.

Het was zaterdag. Ze had al drie uur achter elkaar geschreven. Haar hoofd stond strak van energie, alsof er te veel was opgeslagen en niets werd afgevoerd.

Klaas keek haar aan, knikte even, en vroeg:
‘Heb je eigenlijk nog wel zin om naar de sportschool te gaan?’

Anja voelde irritatie opkomen. Ze keek Klaas strak aan. Zijn ogen opengesperd met een blik van een onschuldig kijkend kind. Maar potjandorie, hij was geen kind. Hij was een echtgenoot. Zijn blond grijze krullen verstrooid langs de zijkant van zijn hoofd, zijn kruin al heel lang kaal. Zijn groene versleten fleecejack slobberde langs zijn bovenlijf.

‘Wat een rare vraag,’ zei ze. ‘Dan ga ik zeker tegen Marcella zeggen: “Ik heb er geen zin meer in. Kun je de resterende tijd van mijn jaarabonnement terugstorten?”’ Ze zag het al voor zich. Marcella die haar aankijkt en denkt: dit is een grap.

De absurditeit ontging hem. Anja verbaasde zich elke keer weer over hoe hij een deel van de feiten kon vergeten. En er dan iets nieuws van maakte: ‘een week geen sportschool, dus überhaupt nooit geen zin meer’. En dan met zo’n raar navraagzinnetje de hele relationele sfeer gaan verpesten. Waar Anja niets over mocht zeggen.

De irritatie werd bijna boosheid. Niet omdat hij het vroeg, maar omdat hij er iets van maakte. Alsof haar opmerking een probleem was dat opgelost moest worden. Ze kende dat mechanisme. Problemen boden houvast. Problemen kon je ordenen, begrijpen, beheersen. Mensen niet.

Ze zei verder niets. Ze had niets meer om mee te reageren.

‘Klaas, ik ga gewoon weer naar de sportschool.’

Hij zei niets terug. Hij keek haar aan alsof ze even niet helemaal scherp stond afgesteld. Anja keek naar buiten. Zwarte vogels vlogen door de mist. Enkele musjes wipten over de keien in de achtertuin. Ze liep zijn werkkamer uit. Achter haar hoorde ze een zacht, bijna verlegen ‘ik dacht gewoon…’.

22 februari 2026

De AI-vriend

De woonkamer had iets ongerijmds, alsof hij zich had verkleed voor een toneelstuk dat allang niet meer werd opgevoerd. Donker eiken, zware gordijnen, een pendelklok die stilstond. Janneke dacht aan een boerderijkeuken uit de jaren vijftig, maar dan zonder koeien, zonder leven. Alleen schrijvers.

Het gesprek over ieders werk was opvallend rustig verlopen. Zelfs Bart had zich ingehouden. Dat alleen al maakte haar argwanend. De Cabernet Sauvignon Merlot werd opnieuw ingeschonken. Janneke voelde hoe de hoofdpijn zich aandiende, scherp achter haar ogen. Ze had een Chardonnay meegenomen — fris, open — maar Corrie had vriendelijk dankjewel gezegd en de fles in de kast gezet, tussen de likeuren. Alsof het een souvenir was.

‘Ik wil gewoon niet,’ zei Marije ineens, ‘dat woorden mij door een machine in de mond worden gelegd.’

Ze veegde met het kerstservet over haar lippen. Het was mei.

‘Dat voelt als plagiaat,’ vervolgde ze, ‘maar dan zonder dader.’

Er viel een stilte die net iets te lang duurde. Janneke knikte. Te snel. Ze kende dit moment: het punt waarop zwijgen veiliger leek dan spreken, maar spreken onvermijdelijk werd.

‘En jij dan,’ zei Bart. Hij leunde achterover, zijn glas gevaarlijk scheef in zijn hand. ‘Jij met die vriend van je. Ton. Of heet hij anders als hij schrijft?’

Niemand lachte.

‘Die bouwt toch van die systemen,’ ging Bart verder. ‘Algoritmes. Verhalenfabrieken. Of ga je nu zeggen dat jij nog steeds…’ hij maakte een vaag gebaar met zijn hand ‘…met bloed en zweet zit te typen?’

Janneke voelde haar wangen gloeien.
‘Ik gebruik een spellingchecker,’ zei ze.
Het woord ‘alleen’ bleef in haar keel steken.

‘Een spellingchecker,’ herhaalde Marije. Ze glimlachte met haar linker mondhoek naar beneden. ‘Dat is ook wat ChatGPT zegt als je ’m vraagt of hij creatief is.’

‘Dit is precies het probleem,’ zei Bart, nu feller. ‘We doen alsof het onschuldig is. Alsof het een rekenmachine is. Maar het schrijft. Het denkt. Het vervangt.’

‘Het voorspelt,’ zei Janneke, voor ze zichzelf kon tegenhouden. ‘Het voorspelt welk woord waarschijnlijk volgt.’

‘Dat is semantiek,’ snauwde Marije. ‘Je weet net zo goed als ik dat voorspelbaarheid de dood van literatuur is.’

‘Alsof jij niet herschrijft,’ zei Bart. ‘Alsof jij niet schaaft, schrapt, optimaliseert.’

‘Dat doe ik,’ zei Marije. ‘Niet een systeem dat gevoed is met andermans werk.’

De woorden buitelden door elkaar heen. Stemmen kruisten elkaar, het rumoer van de marktplaats. Iemand had het over ‘ethiek’, iemand anders over ‘ambacht’. Het gesprek ging over in een samenzwering, alsof ze samen een kwaad probeerden op te roepen om het vervolgens te kunnen veroordelen.

Oude angsten borrelden bij Janneke op. Het doemscenario van haar nachtmerries zag ze voor haar ogen ontvouwen. Janneke verstijfde en zweeg.

‘Weet je wat het is,’ zei Bart, terwijl hij abrupt opstond, maar toch weer ging zitten. ‘Het is gewoon vals spel. Jij wint prijzen en wij mogen aannemen dat…’

‘Bart, Ton schrijft voor haar. Niks spellingchecker,’ zei Marije.

Messen sneden door het laatste stukje biefstuk.

‘Hou op,’ zei Janneke. Haar stem klonk dun. ‘Ton heeft niets met mijn werk te maken.’

‘Geloof je het zelf?’ vroeg Marije zacht.

Het was Corrie die kuchte. Niemand had op haar gelet. Corrie, met haar bloemetjesjurk, haar zachte stem, haar gewoonte om alles te nuanceren tot het onschadelijk werd.

‘Mijn broer schrijft ook algoritmes,’ zei ze.
De stilte sloeg dicht.

‘Niet voor verhalen,’ haastte ze zich te zeggen. ‘Voor medische beeldvorming. Maar het principe is hetzelfde. Patronen. Kansberekening. Allemaal menselijke input.’

Ze keek Marije aan. Toen Bart.
‘En ik gebruik ChatGPT. Voor mijn werk. En soms voor mijn teksten.’

Bart lachte schamper. ‘Natuurlijk jij ook.’

‘Ja,’ zei Corrie. ‘Natuurlijk ik ook. Elk gereedschap dat mij aan het beste schrijfstuk kan helpen, gebruik ik. En een ding kan ik je vertellen: die stukjes die jij schrijft kunnen best een AI-redactieslag gebruiken. Probeer het gewoon een keer.’

Ze vouwde haar handen alsof ze in gebed ging.
‘Ik laat mijn stukken checken zoals ook een redacteur zou doen. Maar met ChatGPT heb ik er wel eentje zonder ego, zonder persoonlijk vooroordeel, zonder een rugzakje die hij bij mij probeert te legen. Ik heb genoeg van die mannetjes.’

‘Maar een redacteur laat jou zelf corrigeren. AI corrigeert direct voor je. Of niet soms?’ opperde Marije in een laatste poging om haar gelijk te halen.

‘Nee, dat klopt niet. Althans… Het doet wel voorstellen waaruit ik kan kiezen, maar ik ben degene die bepaalt hoe ik het wil hebben. Ik moet zorgen dat het mijn schrijfstijl blijft en niet een groep 3 opstelletje,’ pareerde Corrie. ‘Net zoals mijn broer geen kanker geneest, maar wel helpt zien waar het zit.’

‘Zie je nou wel, AI maakt lui, je hoeft niet meer na te denken over formuleringen, je hoeft alleen nog maar te kiezen uit de opties die ChatGPT voorstelt,’ zei Bart.

Snijdende stilte in de keuken. Een brommer in de verte.

‘We doen nu,’ vervolgde Corrie, ‘alsof dit een moreel zuiveringsritueel is. Alsof we heksen aanwijzen.’ Ze keek even naar Janneke. ‘Maar misschien zijn we gewoon bang dat het laat zien hoe voorspelbaar we zelf zijn.’

De pendelklok tikte niet. De Blokker-klok aan de muur wel. Het laatste restje Sauvignon stond onaangeroerd. Niemand wilde het depot, het gruis, aan zijn tanden laten knarsen.

Janneke stond op, liep naar de gang.

Ze pakte van de volgepropte kapstok haar groene Shein-jas. Andere jassen vielen op de grond. Met de jas onder haar arm liep ze naar de voordeur en vertrok. Niemand had het in de gaten.

08 februari 2026

Leuk typetje

Met een knal doet ze haar laptop dicht.

Lange blonde gekrulde haren vallen over haar gezicht.
Weer geen mail of appje ontvangen.

Ingrid Boomsma denkt terug aan de gelukkige tijd dat ze mocht zorgen, organiseren, regelen. Ze werd gezien en gewaardeerd. Veel complimentjes over hoe ze eruitzag. Een sportief slank figuurtje: mantelpakjes stonden haar prachtig.

Op elke afspraak was ze keurig op tijd. Meestal tien minuten te vroeg zodat ze nog even de tijd had om haar make-up bij te werken. Dan ging ze naar een tafeltje toe, pakte haar laptop uit haar rolkoffertje, bestelde een café latte en ging druk typen alsof ze er al de hele dag gezeten had. Keurig recht op de stoel, haar benen nooit over elkaar geslagen – dat mocht niet van haar vader, die arts was. Slecht voor de doorbloeding, slecht voor de gewrichten.

Kwam de klant binnen dan was altijd duidelijk bij wie hij moest zijn. Ingrid had een aantrekkingskracht die niet te benoemen was, het ondefinieerbare van een uitermate keurig meisje met een mysterieuze, verscholen onbereikbaarheid.

Marketing- en promotie. Daar was ze voor ingezet. Zoals altijd gebeurde dat buiten kantoor. Besprekingen moest ze voeren ergens in het land, het liefst aan de snelweg. De klanten konden dan makkelijk parkeren en hoefden de stad niet in, waar de tarieven schrijnend hoog waren.

Ze had die dag meneer Johansson, een Zweed.
Een man met Hugo Boss-pak en een aftershave van hetzelfde merk. Helemaal Hugo Boss. Vreemd dat die man niet Hugo heette, maar Björn. Björn Johansson: wat een naam.

Hij stevende af op haar tafeltje, wilde zich voorstellen, maar was even de kluts kwijt. Het was of hij haar gelijke was, in uiterlijk en verschijning. Haperend stelde hij zich voor.

De klik was er.
Maar niet zakelijk.

Van alles werd besproken, slechts het persoonlijke, intiem en privé.

Ze pakten een hotelkamer.

De klant zou mailen over het zakelijke.
Ingrid wachtte met de rapportage.

Na enkele dagen wist ze het: van die Zweed zou ze niets meer horen.

Ze biechtte het gebeurde bij haar baas op.

Not amused.

Ze vertelde het tijdens haar beoordelingsgesprek.
Zakelijk, in de juiste volgorde, zonder details.

Haar baas luisterde met gevouwen handen.
Hij stelde geen vragen.
Hij keek haar alleen indringend aan.

De Zweed was een belangrijke klant geweest.
‘Was’, zei hij.
Met de Noorderzon vertrokken.

Hij bladerde door haar dossier.
Niet lang.
Hij wist wat erin stond.

‘We hebben je aangenomen omdat je een leuk typetje bent,’ zei hij.
‘En dat ben je ook. Dat is perfect voor deze job.’

Hij tikte met zijn Montblanc StarWalker op het bureau.

‘Maar het is niet de bedoeling dat een klant wegloopt.’

Als er alsnog een deal zou komen, mocht ze blijven.

Ingrid knikte. Tranen glinsterden op haar mascara.

De Zweed mailde niet. De rapportage bleef liggen.
Na een paar weken werd haar agenda leger.
De afspraken langs de snelweg verdwenen.

Andere typetjes kwamen.

Op een ochtend klapte Ingrid haar laptop dicht en bleef zwijgend zitten. Ze dacht aan hoe zorgvuldig alles altijd was geweest: de kleding, de houding, het wachten.

Ze had gedaan wat er van haar verwacht werd.

Bijna altijd.
Op één keer na.

Voor hen werd dat het enige dat telde.

Buiten denderde het verkeer door.
Bestuurders en bijrijders: iedereen met een doel.

Ingrid stond op, pakte haar tas en liet de laptop achter.

25 januari 2026

Vastgezogen

Slak Zotto kroop naar haar toe, glibberig, langzaam, maar gestaag.

Vastgenageld in haar tuinstoel. Benen bruin van zon en minirok.
Met knalroze fluorescerende gellak op teennagels in haar zwarte L.K. Bennett-slippers, model: Casper.

Alweer een meter dichterbij, de slak.

Elsa voelt haar dijbenen vochtig worden. Had ze maar een broek aangetrokken voor deze zonnige, zwoele dag.

Zen, eventjes zen, denkt ze.

Adem vier seconden in, hou het vier seconden vast, adem zes seconden uit, alle lucht uit het lijf: zo lang mogelijk vasthouden.

Lucht. Adem. We leven. Te veel veroorzaakt angst.

Angst. Altijd angst.

Haar moeder dood.
Zomaar.
Onverwacht.

En nu? Wat nu?

Elke dag belden ze met elkaar. Soms wel meerdere keren.

Zonder haar moeder had ze geen bestaansrecht meer.

Haar leven is koopjes jagen.
Maar dan alleen de luxeartikelen.

De krijsende buurvrouw met dat keffende hondje kocht slippers bij de Action.
Shirts en andere kleding bij C&A; weet wat de klant wil, en dus nog steeds niet failliet. Pasvorm altijd vrouwelijk. Duitse maten, lijkt het wel. Taille, heupen, ronde bips. Stof van perfecte kwaliteit.

Laatst nog ging ze voor de lol in het winkelcentrum Schalkwijk Haarlem passen. Ruime paskamers. Personeel dat discreet is en niet naar je toestapt met de vraag: ‘Heeft u hulp nodig’. No pressure.

Wat zou het fijn zijn als er geen druk meer op haar zou zitten. Ze kan het niet meer ontladen bij haar moeder. Nooit meer.

Mams’ as is over het Sloterpark Amsterdam vervlogen. Mag niet van de wetgever. Stiekem dus. Op haar laatste verjaardag, die ze in de hemel vierde. Het waaide. Het woei. Vervlogen de as. Vervlogen mams. Vervlogen tijden met houvast. Van mams.

Mams, waar ben je?

Zotto was nog maar twintig centimeter van haar voeten verwijderd. Elsa zag de voelsprieten heen en weer gaan. De geur van het leer dreef Zotto doelgericht naar haar slippers.

Voorzichtig ontworstelde Elsa haar zorgvuldig gepedicuurde voetjes uit haar L.K. Bennett’tjes, trok haar knieën omhoog en zette haar hielen op de rand van de stoel.

Zotto tastte de rechter slipper af. Klom erop en liep eroverheen tot het midden. Daar trok hij zich terug in zijn huisje en bleef vastgezogen zitten.

Elsa keek verrukt naar de slak.

De lessen mindfulness deden hun werk.

Na een half uur gingen haar benen slapen.

Voorzichtig strekte ze die uit.

Wijdbeens zette Elsa haar voeten op de grijze grindtegels. Heet.

Op blote voeten ging ze naar binnen.

Op de schoorsteenmantel zag ze de urn. Mams?

Tranen schoten in haar ogen.

Ze pakte haar mobieltje en toetste een nummer in.

‘Goedendag, waarmee kan u van dienst zijn?’

‘Hoe moet ik mijn slippers retourneren?’

Drie woordjes

Paars. Tulpen. Chocola. Tegen vier uur ’s middags, het tijdstip waarop ik langzaam naar de nacht toewerk, staat Hanna voor mijn deur met e...