De oude man loopt wankelend naar zijn vertrouwde parkbankje. Er zit al een, in zijn ogen, jonge vrouw van middelbare leeftijd. Even overweegt hij om verder te lopen, maar na een bezoek aan zijn vrouw in het verzorgingshuis wil hij altijd even op dit bankje bijkomen.
‘Goede dag, jonge dame,’
zegt hij met zijn meest charmante toonzetting. Hij schrikt van zichzelf. Het
voelt als vreemdgaan.
‘Dag meneer.’
Voorzichtig gaat hij aan de
andere kant van het bankje zitten. Een tennisbal stuitert rakelings langs zijn
voeten. Een hond met lange lichtblonde haren komt hijgend met schuim om zijn
bek op hem afgerend. De oude man glimlacht. Vroeger had hij ook honden, maar op
een gegeven moment kon hij het niet meer opbrengen om vier keer per dag die
hond uit te laten. Zonder zijn Trudie was het niet meer gezellig. De hond pakt
zijn bal, veegt zijn vieze bek af aan de broek van de man, alsof het een servet
is. Zijn baasje in keurige Zuidas-outfit schreeuwt ‘kom hier Rex’ alsof hij ook
een sociale kant heeft.
‘Leegte,’ zegt de man plotseling,
zijn grijze kop lichtjes voorovergebogen. Scherpe, indringende, vaalblauwe
ogen. Ogen die veel hebben gezien. Te veel. En nu zit hij hier naast een hem
onbekende vrouw op het bankje. Het gras – een dag eerder gemaaid – ligt er dor
bij, afgesneden van het leven, eenzaam te wachten om weggewaaid of vertrapt te
worden tot een smurrie aan sneakers na die langverwachte plensbui.
De oude man verplaatst zijn
gewicht wanneer hij zijn rechterbeen over zijn linker slaat. Het bankje kraakt
zachtjes onder hem. Vroeger zat hij hier hand in hand met Trudie. Nu is hij
lichter geworden, uitgehold door verdriet.
Na een lange stilte vervolgt
de oude man:
‘Trudie, mijn lieve Trudie,
ik kon haar niet meer thuis verzorgen, ze liep steeds weg. Nadat de politie
voor de derde keer was ingeschakeld om haar te vinden, kwam er iemand van
maatschappelijk werk langs, of was het de sociale dienst? Ik weet het niet meer.
Indringend werd op mij ingesproken. Ze zeiden dat het te gevaarlijk was voor
Trudie om nog thuis te wonen, dat het voor mij te belastend zou zijn. Maar
welke last het ook is voor mij; ik wil Trudie thuis hebben, ook al kan ik niet
meer met haar praten, ze begrijpt niets van wat ik vertel. Ze is alles
vergeten, ons hele gezamenlijke verleden, alsof het er niet was, alsof wij als
echtpaar er nooit waren. Elke dag bezoek ik haar, veeg het speeksel van haar
kin, dep haar tranende ogen droog, kijk diep in haar ogen om niets te zien.
Trudie is weg. Ik zit hier altijd even bij te komen voordat ik mijn voordeur
open en de leegte van mijn huis – ooit ons huis – mij overvalt.’
Aan de andere kant van het
bankje luistert de vrouw van in de vijftig. Vanuit haar ooghoeken kijkt ze naar
de bibberende handen van de man. Haar grijze uitgroei verraadt een hang naar
niet oud willen worden, al ontbreekt het haar de laatste tijd aan de moeite om
de kapper te bezoeken. ‘Voor wie?’ vraagt ze zich elke ochtend voor de spiegel
af. Het is een dagelijkse keuzestress tussen het tegenhouden van de tijd en het
gemak van een leven zonder schaamte; een tussenpauze tussen een verleden vol
gemiste kansen en de vrijheid om met geen enkele imaginaire vent rekening te
hoeven houden.
De vrouw blijft naar het
gras kijken.
Uiteindelijk zegt ze, meer tegen zichzelf dan tegen de oude man:
‘Wat heeft u een geluk
gehad met uw Trudie. Vijftig jaar lang…’ Haar spieren spannen zich voordat ze
verder spreekt:
‘Zelf heb ik nooit
samengeleefd met wie dan ook. Geen man, geen kinderen, geen kleinkinderen. Elke
keer als ik thuiskom is er leegte. Mijn hele leven lang al. Leegte.’
De man staat vermoeid op en
zegt:
‘Het was mij aangenaam met
u gesproken te hebben. Een fijne dag nog.’
De vrouw, van haar stuk
gebracht, antwoordt:
‘Ik wens u veel sterkte.’
In zichzelf gekeerd hoort
ze de man 'dank u' mompelen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten