19 april 2026

Snot

Neus half verstopt. Een prikkel. Airco zoemt. De nies kan ik niet onderdrukken. Met mijn gezicht naar beneden en mijn armen om mijn hoofd barst de explosie. Snot op mijn net gewassen zwarte sweater. Ik wrijf het erin. Een witte vlek blijft over. Ik vervolg de yoga-/pilatesles. Namasté. Ik neem een slok water uit mijn Ikea-bidon. Ik pak mijn blauwe mat op en loop langs de fitnessapparatuur. Tussen de loopband en de legpress wurm ik me naar de muur, waar ik de mat aan de haken hang. Ik kijk om; gelukkig is iedereen druk met elkaar en hoef ik aan niemand vriendelijk te vragen of ik het matje even mag overnemen.

In de vestibule zitten een paar dames gezellig met elkaar te keuvelen. Ik zeg gedag en loop door de glazen deuren naar buiten.

Ik pak mijn fiets en ga naar de bieb. Een reservering staat voor me klaar in de stellingkast van twee meter hoog en anderhalve meter breed. Grote oranje tussenstukken met letters op alfabetische volgorde. Ik hoor een man oorverdovend schreeuwen, een kind hartverscheurend krijsen. Hier wordt niet geschreeuwd. Hier worden lessen Nederlands gegeven, computerlessen. In de hoek zitten oude mannen de krant te lezen. Alles gedempt. Alles onder controle. Misschien kijken ze daarom niet.

Ik spied door de stellingkast. Een man die je eerder in een achterstandswijk maar beslist niet in een bibliotheek in het keurige Haarlem verwacht, staat achter een kinderwagen en schreeuwt: ‘ophouden nou’. Verteerd door angst krijst het jochie nog harder. Mijn hart verkrampt. ‘Stil zijn’ echoot het door de drukke zaal. Iedereen bladert, loopt, kijkt in schermen.

Het liefst zou ik iets zeggen. Hoe harder je schreeuwt, hoe harder je kind gaat krijsen. Of: helpt dit?

Maar ik zeg niets.

Ik weet hoe dit zou gaan.
Hij richt zich op mij. Gevaarlijk luidruchtig.
Mijn stem gaat omhoog.
Mensen bemoeien zich met mij. ‘Waar ik me mee bemoei.’

Hij gaat vrijuit.

En ik word weggehoond.

Als ik met een vriendin was geweest, had ik iets kunnen zeggen. Net luid genoeg. Zacht genoeg dat hij zich niet aangesproken voelt.

Maar ik ben alleen.

Ik voel me kwetsbaar.

En deze man is precies de figuur waar ik met een boog omheen loop.

Hij kijkt me plotseling recht aan. Donker haar. Ogen die wantrouwend mijn ziel in steken.

Naast de kinderwagen staat een vrouw. Blond. Mager. Lang. Voorovergebogen schouders. Ze zegt niets. Haar handen krampachtig om haar schoudertasje geklemd. Ze wacht.

‘De mensen hebben last van hem, ik ga naar het winkelcentrum,’ zegt hij tegen haar.

Ze knikt.

Bij de lenersconsole sta ik met mijn rug naar hen toe. De man loopt met de kinderwagen de bibliotheek uit. Het gekrijs galmt mee.

Het kind heeft een krentenbol in zijn hand. Geen hap eruit gebeten.
Wel stevig vastgehouden.

Het snot druipt uit zijn neus.

05 april 2026

Koude lucht

Lekker als je zondagochtend naar de sportschool gaat.

Lekker dat ik dan allerlei huishoudelijke klusjes
tegelijkertijd
en tussendoor
kan doen.

Allemaal bezigheden
die niet per se nu hoeven.
Die kunnen wachten.

Maar toch.

Even in mijzelf gekeerd,
zonder jouw aanwezigheid in huis.

Jouw behoefte aan contact.
Mijn behoefte om met rust
gelaten te worden.

De open dozen van de eetkamertafel
heb je opgeruimd.

Wat er nog in moest
ligt op het aanrecht.

Je sporttas
bezet de eetkamertafel.

De dozen haal ik weer uit de kast.

Ik ruim alles op
wat ik had laten liggen.

Voorzichtig
om je sporttas heen.

Naar boven.
Daar verder met mijn eigen dingetjes.
Zonder jou.

Het wasgoed bij elkaar gesprokkeld.

Nog eventjes geduld
voordat je echt weg bent.

‘Kan het warm water uit?’
‘Weet niet.’
‘Oké, dan laat ik de boiler aan.’

Ik denk na.

‘De boiler mag uit.’

Gel in mijn natte haar.
Handen wassen met koud water.
Toch maar warm water gebruikt.

Potjandorie.

Waarom die vraag?

Eindelijk.
Hij is klaar om te vertrekken.

‘Nou, tot straks. Ik weet nog niet hoe laat ik thuis ben.’

Kan mij wat boeien.

‘Ik ben vanmiddag weg.’
‘Ja, dat weet ik.’

En ik kan het niet laten.

‘Waarom vroeg je mij of je het warme water uit kon doen?’

‘Ik dacht dat je klaar was in de badkamer.’

‘Nou, ik was nog niet klaar.
Een mens wil graag ja antwoorden.
Stel die vraag zondagochtend maar niet meer.’

‘Oké.’

Overleg.
Overleg.
Overleg.

Interpunctiecommunicatie.

Oeverloos gezwam.

Zijn ding.

Ik doe gewoon mee.

De deur valt dicht.

Ik loop met mijn wasgoed naar zolder.

Chloordamp slaat op mijn ogen.

Kon die fles bleek in het fonteintje
nou echt niet wachten?

Hier heb ik geen zin in.

Ik zet alles tegen elkaar open.

De koude lucht
trekt door zijn werkkamer.

Ik ga echt niet
in chloordampen
de was in de wasmachine doen.

Ik ga eerst schrijven.


Een oplossing

Met grote passen stak hij het plein bij De Entree over. Glas, staal, lucht. Alles glom. Ze zag hem al van ver: zijn lange haar, de gehaaste ...