Lekker als
je zondagochtend naar de sportschool gaat.
Lekker dat
ik dan allerlei huishoudelijke klusjes
tegelijkertijd
en tussendoor
kan doen.
Allemaal bezigheden
die niet per se nu hoeven.
Die kunnen wachten.
Maar toch.
Even in
mijzelf gekeerd,
zonder jouw aanwezigheid in huis.
Jouw
behoefte aan contact.
Mijn behoefte om met rust
gelaten te worden.
De open
dozen van de eetkamertafel
heb je opgeruimd.
Wat er nog
in moest
ligt op het aanrecht.
Je sporttas
bezet de eetkamertafel.
De dozen
haal ik weer uit de kast.
Ik
ruim alles op
wat ik had laten liggen.
Voorzichtig
om je sporttas heen.
Naar boven.
Daar verder met mijn eigen dingetjes.
Zonder jou.
Het wasgoed
bij elkaar gesprokkeld.
Nog
eventjes geduld
voordat je echt weg bent.
‘Kan het
warm water uit?’
‘Weet niet.’
‘Oké, dan laat ik de boiler aan.’
Ik denk na.
‘De boiler
mag uit.’
Gel in mijn
natte haar.
Handen wassen met koud water.
Toch maar warm water gebruikt.
Potjandorie.
Waarom die
vraag?
Eindelijk.
Hij is klaar om te vertrekken.
‘Nou, tot
straks. Ik weet nog niet hoe laat ik thuis ben.’
Kan mij wat
boeien.
‘Ik ben
vanmiddag weg.’
‘Ja, dat weet ik.’
En ik kan
het niet laten.
‘Waarom
vroeg je mij of je het warme water uit kon doen?’
‘Ik dacht
dat je klaar was in de badkamer.’
‘Nou, ik
was nog niet klaar.
Een mens wil graag ja antwoorden.
Stel die vraag zondagochtend maar niet meer.’
‘Oké.’
Overleg.
Overleg.
Overleg.
Interpunctiecommunicatie.
Oeverloos
gezwam.
Zijn ding.
Ik doe gewoon
mee.
De deur
valt dicht.
Ik loop met
mijn wasgoed naar zolder.
Chloordamp
slaat op mijn ogen.
Kon die
fles bleek in het fonteintje
nou echt niet wachten?
Hier heb ik
geen zin in.
Ik zet
alles tegen elkaar open.
De koude
lucht
trekt door zijn werkkamer.
Ik ga echt
niet
in chloordampen
de was in de wasmachine doen.
Ik ga eerst schrijven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten