23 augustus 2026

Zo moeder, zo dochter?

‘Kindje toch, waarom zou je kinderen willen?’ zei Miriam.

Susanne keek haar moeder geschrokken aan. Dit had ze niet van haar vooruitstrevende moeder verwacht.

Ze wist drommels goed dat haar moeder het niet makkelijk had met een drukke baan en een kind om op te voeden. Op te voeden? Nou ja, eerder liet ze Susanne aan haar lot over. Vrijheid noemde Miriam dat. Goed voor de zelfstandigheid.

‘Iedereen begint eraan, mam,’ zei Susanne. ‘Laura, Meike, Chantal... We zitten allemaal in dezelfde fase. Het hoort er nu eenmaal bij. Het is een verrijking.’

Miriam schudde haar hoofd. ‘Vriendinnen, San? Denk je echt dat die blijven? Zodra de luiers beginnen, gaat ieder haar eigen gang. Dan ben je ze kwijt. Ik wilde vroeger ook verder leren, Susanne. Mijn hele toekomst lag open. En toen ontmoette ik je vader. Hij zwoer dat hij er altijd voor me zou zijn. Tot mijn buik te dik werd voor seks. Toen ging hij er vandoor met mijn beste vriendin. Zo veel zijn vriendinnen dus waard.’

Susanne hield haar adem in. Het was de eerste keer dat haar moeder hier iets over vertelde.

‘Ik heb kromgelegen voor jou, Susanne,’ ging Miriam verder. ‘Ik heb me uit de naden moeten werken om directiesecretaresse te kunnen worden. Maar die managementfunctie? Die kon ik vergeten. Omdat ik alleenstaand was. Omdat ik niet flexibel kon reizen. Omdat ik elke middag om vijf uur moest stressen om een kind van de opvang te halen. Mannen met exact dezelfde papieren liepen me aan alle kanten voorbij. Alleen maar omdat ik de zorg voor jou had.’

Susanne keek naar haar moeder. Voor het eerst zag ze haar als jonge vrouw. Met kind. Alleenstaand.

Miriam merkte de verandering in Susannes blik. Ze leunde achterover.

‘Wilde Chantal niet dierenarts worden?’ vroeg Miriam. ‘Moest ze die wens niet laten varen omdat ze in verwachting raakte? En is ze nu zo gelukkig met haar kindje? Ja, natuurlijk, de oxytocine giert door je lijf als je een kindje hebt. Helemaal voor jezelf, in de wolken voel je je. Maar op een gegeven ogenblik komt het moment dat je terugkijkt en ziet dat alles voorbij is. Dat er niks meer kan worden van wat je gedroomd hebt.’

Het werd stil in de kamer. Susanne keek naar haar roze gelnagels.
Plotseling rechtte ze haar rug. Haar bedelarmband rinkelde.

‘Ik snap het, mam,’ zei ze zacht. ‘Ik ga die fout niet maken.’

Miriam glimlachte. Ze pakte haar glas en proostte op de toekomst van haar dochter.

09 augustus 2026

De werkverschaffer

Tropische dag vandaag. En ik wil nog een verhaal inzenden. Deadline. Eerst maar de koelte van het ochtendgloren binnenlaten om de hitte straks buiten te sluiten. Terwijl ik daarmee bezig ben, is mannetje al opgestaan. Veel te vroeg voor zijn doen. Hij doet lekker zijn ding, maar ik sta om zes uur al in de achtertuin om de warme – zeer warme – dag voor te zijn. Planten voeden, uitgebloeide bloemetjes afknippen, liefst het hele steeltje. Ik zie liever geen steeltjes als tandenstokers uit de bloempot steken. Blaadjes uit de vijver scheppen, pompje op het droge, pompje schoonspuiten, pompje het water weer in en bijvullen. Stroom erop. Hoera, die spuit weer lekker.

De achtertuin verder sproeien; ik mag het nog wel, de boeren niet meer. Droogte in het hele land. Een subtropisch klimaat in Nederland, met een paar herfst- en wintermaanden waarin we ons herinneren wat hier ooit normaal was. Vliegtuigen brommen in de lucht. Daar gaan de vakantiegangers die aan de Middellandse Zee denken te vinden wat we hier allang hebben. Straks, daar: drukke stranden, een duik in een warme – veel te warme – zee. Geen verkoeling.

Tussendoor controleer ik de voortuin. Wat valt daar nog te doen wat niet tot morgen kan wachten? Eiwitten eten, schiet me te binnen, want ik moet mijn antibioticacapsule slikken. Lastig, twee stuks op een dag, het liefst precies om de twaalf uur. Om zeven uur slik ik de pil. Eindelijk weer verder met de voortuin.

Mannetje staat parmantig in de keuken zijn tweede koffie te zetten. Hij kijkt niet op of om. Mijn aanwezigheid is voor hem net zo vanzelfsprekend als de ongenaakbare zon die opkomt. Het wordt me te veel. Ik vraag hem dus om de kussens in de voortuin te leggen.

‘Waarom moet ik dat doen als je toch weggaat?’

Had hij dan niet gezien hoe hard ik al liep te hollen?

‘Omdat het pas kwart voor acht is,’ zeg ik. Mijn irritatie onderdruk ik niet.

‘Ja? En?’

‘Ik ga pas kwart voor tien weg. Er ligt een verhaal uitgeprint op de tuintafel. Dat wil ik nog lezen. Buiten!’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Oké. Ik vroeg het alleen maar om het te begrijpen.’

‘Dit verzin ik toch niet om jou bezig te houden? Ik ben toch niet van de werkverschaffing.’

Drie woordjes

Paars. Tulpen. Chocola. Tegen vier uur ’s middags, het tijdstip waarop ik langzaam naar de nacht toewerk, staat Hanna voor mijn deur met e...