06 september 2026

Drie woordjes

Paars. Tulpen. Chocola.

Tegen vier uur ’s middags, het tijdstip waarop ik langzaam naar de nacht toewerk, staat Hanna voor mijn deur met een grote bos tulpen. Haar tengere lijf verschuilt zich achter haar geschenk voor mij. Alleen haar stralende lach piept erlangs.

Hanna zegt wat gezegd moet worden. Zonder doekjes. Zonder schroom. Daarna zoeken we naar begrip voor anderen. Soms zijn dat onze eigen echtgenoten.

Een ander zou er geen chocola van maken.

Voor haar heb ik chocoladebrokjes naar eigen smaak gemaakt. De cranberrythee verwarmt. De wortelcake en chocolade eten we langzaam op.

Hanna draagt paars. De paarse tulpen hangen eerst over de rand van de grote vaas. De volgende dag staan ze fier rechtop.

Laatst zat ik bij Hanna thuis om zeven uur ’s avonds al te knikkebollen. Bij zonsondergang komt zij juist tot leven. Niet veel later ging ik naar huis om te slapen.

Onze chronobiologie loopt asynchroon.

Wij niet.

23 augustus 2026

Zo moeder, zo dochter?

‘Kindje toch, waarom zou je kinderen willen?’ zei Miriam.

Susanne keek haar moeder geschrokken aan. Dit had ze niet van haar vooruitstrevende moeder verwacht.

Ze wist drommels goed dat haar moeder het niet makkelijk had met een drukke baan en een kind om op te voeden. Op te voeden? Nou ja, eerder liet ze Susanne aan haar lot over. Vrijheid noemde Miriam dat. Goed voor de zelfstandigheid.

‘Iedereen begint eraan, mam,’ zei Susanne. ‘Laura, Meike, Chantal... We zitten allemaal in dezelfde fase. Het hoort er nu eenmaal bij. Het is een verrijking.’

Miriam schudde haar hoofd. ‘Vriendinnen, San? Denk je echt dat die blijven? Zodra de luiers beginnen, gaat ieder haar eigen gang. Dan ben je ze kwijt. Ik wilde vroeger ook verder leren, Susanne. Mijn hele toekomst lag open. En toen ontmoette ik je vader. Hij zwoer dat hij er altijd voor me zou zijn. Tot mijn buik te dik werd voor seks. Toen ging hij er vandoor met mijn beste vriendin. Zo veel zijn vriendinnen dus waard.’

Susanne hield haar adem in. Het was de eerste keer dat haar moeder hier iets over vertelde.

‘Ik heb kromgelegen voor jou, Susanne,’ ging Miriam verder. ‘Ik heb me uit de naden moeten werken om directiesecretaresse te kunnen worden. Maar die managementfunctie? Die kon ik vergeten. Omdat ik alleenstaand was. Omdat ik niet flexibel kon reizen. Omdat ik elke middag om vijf uur moest stressen om een kind van de opvang te halen. Mannen met exact dezelfde papieren liepen me aan alle kanten voorbij. Alleen maar omdat ik de zorg voor jou had.’

Susanne keek naar haar moeder. Voor het eerst zag ze haar als jonge vrouw. Met kind. Alleenstaand.

Miriam merkte de verandering in Susannes blik. Ze leunde achterover.

‘Wilde Chantal niet dierenarts worden?’ vroeg Miriam. ‘Moest ze die wens niet laten varen omdat ze in verwachting raakte? En is ze nu zo gelukkig met haar kindje? Ja, natuurlijk, de oxytocine giert door je lijf als je een kindje hebt. Helemaal voor jezelf, in de wolken voel je je. Maar op een gegeven ogenblik komt het moment dat je terugkijkt en ziet dat alles voorbij is. Dat er niks meer kan worden van wat je gedroomd hebt.’

Het werd stil in de kamer. Susanne keek naar haar roze gelnagels.
Plotseling rechtte ze haar rug. Haar bedelarmband rinkelde.

‘Ik snap het, mam,’ zei ze zacht. ‘Ik ga die fout niet maken.’

Miriam glimlachte. Ze pakte haar glas en proostte op de toekomst van haar dochter.

09 augustus 2026

De werkverschaffer

Tropische dag vandaag. En ik wil nog een verhaal inzenden. Deadline. Eerst maar de koelte van het ochtendgloren binnenlaten om de hitte straks buiten te sluiten. Terwijl ik daarmee bezig ben, is mannetje al opgestaan. Veel te vroeg voor zijn doen. Hij doet lekker zijn ding, maar ik sta om zes uur al in de achtertuin om de warme – zeer warme – dag voor te zijn. Planten voeden, uitgebloeide bloemetjes afknippen, liefst het hele steeltje. Ik zie liever geen steeltjes als tandenstokers uit de bloempot steken. Blaadjes uit de vijver scheppen, pompje op het droge, pompje schoonspuiten, pompje het water weer in en bijvullen. Stroom erop. Hoera, die spuit weer lekker.

De achtertuin verder sproeien; ik mag het nog wel, de boeren niet meer. Droogte in het hele land. Een subtropisch klimaat in Nederland, met een paar herfst- en wintermaanden waarin we ons herinneren wat hier ooit normaal was. Vliegtuigen brommen in de lucht. Daar gaan de vakantiegangers die aan de Middellandse Zee denken te vinden wat we hier allang hebben. Straks, daar: drukke stranden, een duik in een warme – veel te warme – zee. Geen verkoeling.

Tussendoor controleer ik de voortuin. Wat valt daar nog te doen wat niet tot morgen kan wachten? Eiwitten eten, schiet me te binnen, want ik moet mijn antibioticacapsule slikken. Lastig, twee stuks op een dag, het liefst precies om de twaalf uur. Om zeven uur slik ik de pil. Eindelijk weer verder met de voortuin.

Mannetje staat parmantig in de keuken zijn tweede koffie te zetten. Hij kijkt niet op of om. Mijn aanwezigheid is voor hem net zo vanzelfsprekend als de ongenaakbare zon die opkomt. Het wordt me te veel. Ik vraag hem dus om de kussens in de voortuin te leggen.

‘Waarom moet ik dat doen als je toch weggaat?’

Had hij dan niet gezien hoe hard ik al liep te hollen?

‘Omdat het pas kwart voor acht is,’ zeg ik. Mijn irritatie onderdruk ik niet.

‘Ja? En?’

‘Ik ga pas kwart voor tien weg. Er ligt een verhaal uitgeprint op de tuintafel. Dat wil ik nog lezen. Buiten!’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Oké. Ik vroeg het alleen maar om het te begrijpen.’

‘Dit verzin ik toch niet om jou bezig te houden? Ik ben toch niet van de werkverschaffing.’

26 juli 2026

Leegte

De oude man loopt wankelend naar zijn vertrouwde parkbankje. Er zit al een, in zijn ogen, jonge vrouw van middelbare leeftijd. Even overweegt hij om verder te lopen, maar na een bezoek aan zijn vrouw in het verzorgingshuis wil hij altijd even op dit bankje bijkomen.

‘Goede dag, jonge dame,’ zegt hij met zijn meest charmante toonzetting. Hij schrikt van zichzelf. Het voelt als vreemdgaan.

‘Dag meneer.’

Voorzichtig gaat hij aan de andere kant van het bankje zitten. Een tennisbal stuitert rakelings langs zijn voeten. Een hond met lange lichtblonde haren komt hijgend met schuim om zijn bek op hem afgerend. De oude man glimlacht. Vroeger had hij ook honden, maar op een gegeven moment kon hij het niet meer opbrengen om vier keer per dag die hond uit te laten. Zonder zijn Trudie was het niet meer gezellig. De hond pakt zijn bal, veegt zijn vieze bek af aan de broek van de man, alsof het een servet is. Zijn baasje in keurige Zuidas-outfit schreeuwt ‘kom hier Rex’ alsof hij ook een sociale kant heeft.

‘Leegte,’ zegt de man plotseling, zijn grijze kop lichtjes voorovergebogen. Scherpe, indringende, vaalblauwe ogen. Ogen die veel hebben gezien. Te veel. En nu zit hij hier naast een hem onbekende vrouw op het bankje. Het gras – een dag eerder gemaaid – ligt er dor bij, afgesneden van het leven, eenzaam te wachten om weggewaaid of vertrapt te worden tot een smurrie aan sneakers na die langverwachte plensbui.

De oude man verplaatst zijn gewicht wanneer hij zijn rechterbeen over zijn linker slaat. Het bankje kraakt zachtjes onder hem. Vroeger zat hij hier hand in hand met Trudie. Nu is hij lichter geworden, uitgehold door verdriet.

Na een lange stilte vervolgt de oude man:

‘Trudie, mijn lieve Trudie, ik kon haar niet meer thuis verzorgen, ze liep steeds weg. Nadat de politie voor de derde keer was ingeschakeld om haar te vinden, kwam er iemand van maatschappelijk werk langs, of was het de sociale dienst? Ik weet het niet meer. Indringend werd op mij ingesproken. Ze zeiden dat het te gevaarlijk was voor Trudie om nog thuis te wonen, dat het voor mij te belastend zou zijn. Maar welke last het ook is voor mij; ik wil Trudie thuis hebben, ook al kan ik niet meer met haar praten, ze begrijpt niets van wat ik vertel. Ze is alles vergeten, ons hele gezamenlijke verleden, alsof het er niet was, alsof wij als echtpaar er nooit waren. Elke dag bezoek ik haar, veeg het speeksel van haar kin, dep haar tranende ogen droog, kijk diep in haar ogen om niets te zien. Trudie is weg. Ik zit hier altijd even bij te komen voordat ik mijn voordeur open en de leegte van mijn huis – ooit ons huis – mij overvalt.’

Aan de andere kant van het bankje luistert de vrouw van in de vijftig. Vanuit haar ooghoeken kijkt ze naar de bibberende handen van de man. Haar grijze uitgroei verraadt een hang naar niet oud willen worden, al ontbreekt het haar de laatste tijd aan de moeite om de kapper te bezoeken. ‘Voor wie?’ vraagt ze zich elke ochtend voor de spiegel af. Het is een dagelijkse keuzestress tussen het tegenhouden van de tijd en het gemak van een leven zonder schaamte; een tussenpauze tussen een verleden vol gemiste kansen en de vrijheid om met geen enkele imaginaire vent rekening te hoeven houden.

De vrouw blijft naar het gras kijken.
Uiteindelijk zegt ze, meer tegen zichzelf dan tegen de oude man:

‘Wat heeft u een geluk gehad met uw Trudie. Vijftig jaar lang…’ Haar spieren spannen zich voordat ze verder spreekt:

‘Zelf heb ik nooit samengeleefd met wie dan ook. Geen man, geen kinderen, geen kleinkinderen. Elke keer als ik thuiskom is er leegte. Mijn hele leven lang al. Leegte.’

De man staat vermoeid op en zegt:

‘Het was mij aangenaam met u gesproken te hebben. Een fijne dag nog.’

De vrouw, van haar stuk gebracht, antwoordt:

‘Ik wens u veel sterkte.’

In zichzelf gekeerd hoort ze de man 'dank u' mompelen.

12 juli 2026

Paradepaardje op Vinted

Kleren zat. Mijn kasten puilen uit van de gekochte en vooral zelfgemaakte kleding. Verkopen op Vinted, dat lijkt me wel wat.

Ik begin bij de kast met kleding voor warme zomers en bijzondere gelegenheden. Zelfgemaakte, kleurrijke jurkjes: ruimvallend en makkelijk aan te trekken, bijna als die overgooiers van vroeger. Het zat zo lekker, net als mijn comfortabele kleding nu: wijde jurken, sportbroeken met stretch en breed elastiek, en altijd mijn gympen. 'Sloompie-stijl' noem ik het, waarbij de sportschoenen de finishing touch zijn. Het is pure noodzaak; alleen dankzij de demping van die schoenen kon ik ondanks zware artrose blijven lopen.

Dan valt mijn oog op een zwart jurkje. Ik houd het tegen mijn gezicht en snuif de geur op. Het is de geur van mijn moeder. Haar parfum – verdampt, maar nog altijd nadrukkelijk aanwezig.

Mijn gedachten dwalen af naar die ene zomerse dag in de Beethovenstraat. We liepen een haute couture-zaak binnen. Alles ademde luxe en mijn moeder voelde zich er direct thuis. We zochten iets voor haar, maar het enige dat haar echt entzückte, was dit zwarte, elegante jurkje met de lange ritssluiting op de rug. Bij zo’n jurk was lenigheid in de schouders een vereiste. Lenigheid om er leuk uit te zien. Lenigheid om de elegante vrouw te zijn tussen een overvloed aan testosteron.

Ik stond voor de vrijstaande spiegel en zag een mannequin. De stof volgde de zandloperlijnen van mijn lichaam, mijn kuiten piepten er gespierd maar rank onderuit. Mijn moeder keek in de spiegel en zag zichzelf, veertig jaar geleden. Met een zwart nylon overslagjasje erbij was ik in één klap 'gekleed'. Ze rekende met plezier af, alsof ze haar eigen geluk kocht.

Ik wist eigenlijk niet wanneer ik het nauwsluitende, mouwloze ding moest dragen. Naar mijn werk? Nee, daar droeg ik mantelpakjes. In zo’n jurkje moest je keurig stilzitten, met de benen over elkaar. Uiteindelijk droeg ik het tijdens een afscheidsborrel, inclusief het fladderige jasje en zwarte hakjes. Mijn toen nog slanke lichaam kwam volledig tot zijn recht. Ik voelde me een modepop, door mijn moeder aangekleed.

Het wordt tijd dat ik de nostalgie laat voor wat het is. Waarom blijven we toch zo hangen in dat verleden? Voor mijn moeder was ik graag het uithangbord waar ze trots op kon zijn. Ik wilde de dochter zijn die zij wenste, zolang ze maar van me hield. Maar gaandeweg kwam het pijnlijke inzicht: ze hield alleen van de uiterlijke schijn, van de perfecte dochter die een kopie was van wie ze zelf had willen zijn. Alleen als haar paradepaardje was er plaats voor mij in haar leven. Voor een eigen mening was geen ruimte. Een weerwoord werd bestraft. Geen fysieke klap, maar een emotionele: negeren of zwartmaken.

Zo zwart als het jurkje dat ik nu in mijn handen houd. Ik ruik er nog één keer aan en merk dat het cliché 'vervlogen tijden' de lading dekt. De tijd vervliegt, alleen haar geur blijft even hangen. Mijn geur, van heel lang geleden.

Ik hang de jurk op de paspop en maak de foto’s. Het overjasje drapeer ik eroverheen. Klik. Ik open de Vinted-app en typ:

'Design-tenue in zwart: nauwsluitend jurkje met ruimvallend overjasje voor een zomers briesje aan het strand. Voor de Parisienne van nu. Maat 40. Voor vijftig euro kun jij zijn wie ik ooit was.'

28 juni 2026

Haar lach blijft online

Ooit was ze mijn beste vriendin. Maar beetje bij beetje wilde ze steeds nadrukkelijker van mij horen hoe geweldig ze was. Ze zocht bevestiging. Geruststelling. Te pas en te onpas corrigeerde ze mij. Is het nou een Indisch of Indonesisch recept? Daarna een zenuwslopend lesje over het verschil. Alsof het daarom ging. Zij had Indonesische roots. Ik bezocht Duitse scholen in Spanje en Duitsland. De geschiedenislessen gingen bij mij alleen over de Tweede Wereldoorlog.

Ooit zei ik tegen haar dat zolang ze zinnige dingen zei tussen al die venijnige opmerkingen ik met haar bevriend zou blijven. Ze moest lachen. Het was geen grap. Het was een waarschuwing.

Op onze laatste afspraak bij mij vertelde ze alleen over zichzelf. Tussendoor gaf ze mij ongevraagde adviezen, waaronder het dringende advies om van mijn man te gaan scheiden. Het was genoeg geweest. Per mail liet ik haar weten dat ik niet meer wilde afspreken. ‘Oké, als je weer wilt afspreken hoor ik het wel.’ Elke keer als ik haar miste, las ik mijn laatste mail aan haar. Het hielp om niet in de valkuil van nostalgie te vallen.

Vijf jaar later hoorde ik per toeval dat ze aan kanker was overleden.

Wat als ik geweten had dat ze doodziek was?
Misschien was ik uit schuldgevoel gegaan.
Misschien uit sociale plicht.

Haar stralende lach. Nog steeds op sociale media.

14 juni 2026

Meneer Ruud

In de wachtruimte van de fysiotherapie. Het speelgoed op het peutertafeltje netjes opgestapeld. De receptie onbezet. Zaterdag na het sporten.

Vier vrouwen van middelbare leeftijd. Allemaal de menopauze allang voorbij. Vergeten het boodschappenlijstje met maandverband en tampons erop. Vergeten de klodders gestold bloed in tinten bruin, donkerrood en paars. Maar de echte klachten waren niet vergeten. Het nachtelijke zweten. Het doorlekken op het werk of in bed. De opvliegers die uit het niets kwamen. Het korte lontje voor iedereen die iets wilde. Vooral met rust gelaten worden – ondergaan wat blijkbaar bij vrouw-zijn hoorde.

We moesten door.
Dus gingen we door.

Alles kwam boven. Alles werd gedeeld. Overgangsklachten. We voelden ons verbonden door een gemeenschappelijk lot.

Tot Ruud hijgend met zijn blauwe kruk moeizaam naar ons toe stiefelde. De schoolmeester uit de jaren vijftig, dacht ik.

‘Menopauzeklachten komen door een slechte nachtrust. De rest is onzin.’

Ik dacht terug aan mijn eigen overgang. Weinig klachten. En van slaapgebrek was al helemaal geen sprake. Behalve die keren dat ik van plakkerige dijbenen wakker werd. Terwijl ik daar nog over nadacht, gingen de andere vrouwen met Ruud in gesprek. Tot mijn verbazing luisterden ze aandachtig naar hem.

Ik pakte mijn spullen en liep weg.
Niemand die het in de gaten had.

Drie woordjes

Paars. Tulpen. Chocola. Tegen vier uur ’s middags, het tijdstip waarop ik langzaam naar de nacht toewerk, staat Hanna voor mijn deur met e...