18 oktober 2026

Als de liefde over is…

Verknocht raakte ik aan Anja. Elke week dacht ik haar te moeten zien. Me door haar te laten aanraken. Haar strelingen met zachte druk te ervaren. Ik gaf me over. Ik ontspande.

Aan de andere kant gaf ze me adviezen alsof ik een klein kind was. Volhardend, totdat ze er zeker van was dat ik haar advies zou opvolgen. Ik zat er niet op te wachten. Alleen haar zorgzame aanrakingen wilde ik. Het werd steeds vertrouwder tussen ons. Alsof we vriendinnen waren. Prima, zolang de professionele grens maar niet zou worden overschreden.
Maar ze liet me betalingen uitzoeken. Wel of niet betaald? Ze kreeg van mij een hele lijst met doorgegane, verplaatste en geannuleerde afspraken. Ze zou ernaar kijken. Of ze dat deed, weet ik niet. Uiteindelijk kwam ze met een datum die niet klopte. De boosdoener: een zogenaamde reservering met ‘nog in de salon te betalen’. Of ik ernaar wilde kijken. Had ik niet allang genoeg gedaan?
We waren alweer weken verder. Nogmaals verzekerde ik haar dat ik alles betaald had. Ze geloofde mij, maar ze bleef haar twijfels houden. Niet direct uitgesproken. Het bleef in de lucht hangen. Ik werd er iebel van. Op gedoe over al dan niet gedane betalingen en een mogelijk conflict zat ik niet te wachten.

‘Ja, ja, ik vertrouw je, maar zou je er misschien even naar willen kijken? Maximaal tien minuten, hoor. Beloof je dat?’
Ik wilde ontspannen. Ik kwam in de alertstand. Ik vroeg waarom het voor haar zo belangrijk was als ze me toch vertrouwde. Anja draaide eromheen. Ik vroeg door. Eindelijk, of beter: uiteindelijk, kwam de aap uit de mouw. Ze wilde weten of de tussenpersoon van het reserveringssysteem al mijn betalingen wel aan haar had doorbetaald. Ik voelde me haar administratieve slaafje. Of ik die datum wilde controleren. Alleen dat nog. Als ik er maar niet meer dan tien minuten mee bezig was. Wat een bizarre opdracht. Het leek wel weer het werk op de Zuidas: elke minuut nuttig, elke tien minuten bij de klant kunnen declareren. Ik deed het ook nog. Ik sukkel. Ik had moeten zeggen: ‘Zoek het maar uit.’ Maar ik wilde het de wereld uit hebben. Vooral niets boven de markt laten hangen.

De reserveringsprovider bleek een verplaatste afspraak simpelweg aan een nieuw ordernummer te hebben gekoppeld. Dat had Anja van meet af aan zelf kunnen uitzoeken. Waarom zadelde ze mij op met haar administratieve probleem? Gemakzucht?
Een week later lag ik weer ontspannen op haar massagetafel. Halverwege de behandeling begon ze haar ongenoegen te uiten over een review van mij. Ik had daarin gezegd dat ik elke week naar haar ging en dat ik dat gelukkig van ‘mijn schamele AOW’tje’ kon betalen. Ze dacht dat potentiële klanten dit zouden lezen alsof ze armlastige AOW’ers een poot uitdraaide. Mijn poging om uit te leggen dat ze toch geen klanten wilde die de humor ervan niet begrepen, lokte nog meer ergernis uit. Ik moest toch begrijpen dat ze ene Truus als klant zou mislopen?
‘Wil je Truus echt wel in je praktijk?’
Ze bleef doorhameren. Om van haar gezeur af te zijn, zei ik dat ik de review nog eens met haar interpretatie in gedachten zou lezen. Ik wist allang dat hij precies was zoals ik hem bedoeld had: hilarisch. Ik besloot geen reviews meer te schrijven. Ik besloot een tijdje niet te gaan. Ik annuleerde de drie nog openstaande reserveringen.

De weken verstreken. Het verlangen naar haar vakkundige handen bleef. De wrok omdat ze me niet als betalende klant, maar als een vriendin behandelde, werd groter. Ik ging naar Simone.
Onder haar handen voelde ik plotseling liefde voor Anja. Voor haar warmte. Haar vertrouwdheid. De manier waarop ze precies wist wat mijn lichaam nodig had. Even dacht ik dat ik terug wilde.
Alleen zat mijn nooit uitgesproken ergernis me nog dwars. Misschien kon ik teruggaan en kijken of het met Anja zakelijker kon. Zonder erover te praten. Maar om daarachter te komen, zou ik opnieuw in een behandeling bij haar moeten investeren. Ging het mij om het geld? Nee. Was het dan een principe? Ik twijfelde. Ik dacht dat ik gewoon geen zin meer had om kwetsbaar op haar massagetafel te liggen en vanuit die rust haar grieven en gemopper te moeten aanhoren. Dat risico wilde ik niet meer lopen.

Elke ochtend smeer ik me in met bodylotion. Bedachtzaam. Langzaam. Tergend langzaam. Mijn handen weten precies wat mijn lichaam nodig heeft. Elke maandag begint met opluchting. Ik hoef niet naar Anja. De hele dag vrij. Als een vogeltje. Mijn ontspanning staat pontificaal op mijn badkamerplanchet te pronken. Pak mij, smeer je met mij in, ervaar mijn frisse geuren voor levensgenot zonder dreiging van een wederdienst die voelt als een verplichting. De bodylotions staan er voor mij, te allen tijde.

04 oktober 2026

Rugzakken vol water

Annie stopt flesjes Spawater in twee felgekleurde rugzakken, geel en oranje met fluorescerende brede strepen. Voor moderne mannetjes gemaakt, ook ’s nachts te zien als het maanlicht door hoge boomtoppen piept.

‘Mam, wat ben je aan het doen?’ roept haar puberzoon vanaf de bank. Een iPad op zijn schoot, een verkreukelde zak chips naast zich. Vanuit de open ramen komt warme, ozongeladen lucht binnen. Buiten trekken brommers snerpend op. Lucht, lucht, frisse lucht, denkt Annie. Gezonde lucht in de bossen van de Ardennen voor haar twee jongsten van drie en vijf. Die Louis daar, hangend op de bank, neemt zijn halfbroertjes altijd in bescherming. Was hij maar bij zijn eigen vader gebleven. Annie vult de twee felgekleurde rugzakjes verder met mueslirepen, appels en pakjes rozijnen. Daarna nog een flesje water. Veel water.

Annie denkt terug aan de vochtige kelder. Dagenlang zat ze daar opgesloten, bang dat haar moeder iets zou overkomen. Of erger: haar zou vergeten. Haar moeder vergat haar nooit. Zelfs niet die keer dat ze naar een feest was gegaan en pas de volgende middag thuiskwam. Annie had onder aan de keldertrap gezeten met haar armen om haar benen. Uit de verroeste kraan dronk ze water dat voor de tuin was bedoeld. Het smaakte morsig; de dorst bleef. Met al die flesjes schoon water was ze liefdevoller dan haar moeder.

‘Dat is genoeg,’ zegt Louis. Annie stopt nog een flesje in de gele rugzak en antwoordt: ‘Je weet nooit hoelang het duurt.’
‘Hoe bedoel je?’ Annie trekt de ritssluiting dicht. Louis legt zijn iPad naast zich neer. ‘Waar gaan jullie wandelen?’ vraagt hij met schorre stem.
‘We gaan naar België.’
‘Wie?’
‘Richard en ik. Met je broertjes.’
‘Wanneer?’
‘Straks.’
Louis komt overeind. ‘Hé?’ buldert hij. ‘Waarom weet ik daar niks van?’
‘Omdat je niet meegaat.’
‘Waarom mag ik niet mee?’
‘Omdat jij moet werken.’
‘Ik werk alleen zaterdags.’
Annie kijkt strak voor zich uit.
‘Waarom pak je zoveel eten en drinken in voor de kleintjes en niks voor jullie zelf?’
‘Omdat ik een lieve mama ben.’

Richard manoeuvreert behendig over de snelweg. Annie zit onderuitgezakt op haar telefoon te tikken. De jongetjes zingen hun liedjes. Richard zingt luid mee. Bij Maastricht begint het te regenen. Grote druppels kletteren tegen de voorruit. De ruitenwissers schuiven heen en weer. Annie staart naar de vangrail. De kinderen vallen in slaap.
In België wordt de weg smaller. Kronkelig. Hobbelig. De huizen staan ver uit elkaar. Donkere bossen bewegen ruisend langs de open autoramen.
De jongste schrikt mompelend wakker.
‘Zijn we er al?’
‘Bijna,’ zegt Richard.

Ze rijden een parkeerplaats op bij een bos. Er staat een houten bord met wandelroutes. Daarnaast hangt een vuilnisbak met uitpuilende verpakkingen. Richard stapt uit: ‘We gaan een schat zoeken.’ De jochies klappen in hun handen. Staan te trappelen. Annie doet de veel te zware rugzakken bij hen om. ‘Er zit drinken in,’ zegt ze. ‘En lekkere repen.’
Richard bindt een sjaal voor de ogen van de oudste. Annie doet hetzelfde bij de jongste.
‘Niet spieken,’ maant Richard. Hij draait de kinderen een paar keer rond. Ze lachen.
‘Jullie moeten tot honderd tellen. Daarna mogen jullie de blinddoek afdoen. De schat ligt verderop.’
‘Waar dan?’
‘Dat gaan jullie zelf ontdekken.’
‘Een, twee, drie…’

Richard pakt Annie resoluut bij haar arm. Ze sluipen terug naar de auto.
‘Zeven, acht, negen…’
De jongste telt te snel.
‘Opnieuw!’ roept zijn broer.
‘Een, twee, drie…’

Annie kijkt nog een keer om. Ze zet één stap terug.
Ze ziet haar twee kleine zoontjes braaf en serieus een spelletje spelen. Twee kleine kinderen met felgekleurde rugzakken tussen de bomen. De ene met een geel rugzakje, de ander met een oranje. Richard legt zijn rechterarm om haar schouders en duwt haar mee.
‘Doorlopen,’ fluistert hij met krakende stem in haar oor. ‘Ze worden heus wel gevonden, hebben
ook genoeg water.’
Ze stappen in en rijden weg. Annie draait zich om en ziet haar oudste met de blinddoek wapperend in zijn hand naar haar kijken. Richard drukt het gaspedaal in.

20 september 2026

De analfabete

Ik sla De analfabete dicht. Teleurgesteld. Hoezo die titel? De analfabete heb ik gemist. Ik sla het boek weer open en blader terug. Ik zoek de analfabete.

Na De tweelingentrilogie wilde ik weten hoe dat voelde: kunnen lezen in je moedertaal en analfabeet worden zodra je de grens passeert. Hoe leef je als belezen vrouw in een land waarvan je de taal wel spreekt, maar niet kunt lezen? Wat kom je tegen? Wat gebeurt er met je? Waarom wil je in het Frans schrijven en niet in je moedertaal? Wilde Ágota Kristóf erbij horen? Iets bewijzen? Of was het iets anders?

Ik kwam als elfjarig meisje in Spanje terecht. Op de Duitse school moest ik tegelijkertijd Duits en Spaans leren. Een jaar later kwam Engels erbij. Vooral het vak Deutsch was zwaar. Ga er maar aanstaan: als buitenlands kind samenvattingen schrijven van auteurs die al jaren dood waren.

Een keer vroeg ik mijn stiefvader wat de huiswerkopdracht betekende. Hij had op de middelbare school Duits gehad. Zijn Duits was uitstekend. Ik maakte de opdracht zoals hij dacht dat die bedoeld was. Na het voorlezen zei de leraar dat dit niet de opdracht was. Volgens hem wist ik dat écht wel. Ik zei niets. Vooral geen rechtvaardiging bij deze man. Ik kreeg strafwerk.

Ondertussen las ik de boeken uit onze thuisbibliotheek. Analfabeet? Beslist niet.

Kristóf vlucht in haar boek uit Hongarije naar Zwitserland. Ze werkt in een horlogefabriek, kookt ’s avonds en verzorgt haar kinderen. Waar haar man ondertussen is, blijft onduidelijk. Ze mist haar familie, haar taal, haar cultuur. Het is allemaal treurig. Het verschil tussen Hongarije en het pünktliche Zwitserland zal niet hebben geholpen.

Over ontworteling weet ik genoeg. Ik werd als elfjarige plotseling uit Amsterdam-Osdorp weggetrokken zonder afscheid te mogen nemen van mijn vriendjes en vriendinnetjes. Van mijn moeder mocht ik niet eens mijn oma gedag zeggen. Ik moest in de gang wachten.

Ontworteld was ik. Analfabeet niet. Hoe kon een belezen vrouw dat wel ervaren?

Pas aan het einde zegt Kristóf dat ze zich analfabeet voelt. Een leraar vraagt waarom ze bij de beginnerscursus Frans is ingedeeld terwijl ze vloeiend Frans spreekt. Ze vindt zichzelf een analfabete omdat ze in die taal niet kan lezen, laat staan schrijven. Dat was het dan. Een simpel antwoord. Nietszeggend.

De recensenten op de achterflap van De analfabete komen superlatieven tekort. Ik kom woorden tekort, maar om een andere reden. Een autobiografisch verhaal vol verlies blijft over. Geen onderzoek naar de vrouw die haar moedertaal verloor en zich in een vreemde taal opnieuw tot schrijver wilde maken. Geen afweging van de vraag waarom ze niet in het Hongaars schreef en haar werk liet vertalen.

Wie maakte er in godsnaam De analfabete van? 

06 september 2026

Drie woordjes

Paars. Tulpen. Chocola.

Tegen vier uur ’s middags, het tijdstip waarop ik langzaam naar de nacht toewerk, staat Hanna voor mijn deur met een grote bos tulpen. Haar tengere lijf verschuilt zich achter haar geschenk voor mij. Alleen haar stralende lach piept erlangs.

Hanna zegt wat gezegd moet worden. Zonder doekjes. Zonder schroom. Daarna zoeken we naar begrip voor anderen. Soms zijn dat onze eigen echtgenoten.

Een ander zou er geen chocola van maken.

Voor haar heb ik chocoladebrokjes naar eigen smaak gemaakt. De cranberrythee verwarmt. De wortelcake en chocolade eten we langzaam op.

Hanna draagt paars. De paarse tulpen hangen eerst over de rand van de grote vaas. De volgende dag staan ze fier rechtop.

Laatst zat ik bij Hanna thuis om zeven uur ’s avonds al te knikkebollen. Bij zonsondergang komt zij juist tot leven. Niet veel later ging ik naar huis om te slapen.

Onze chronobiologie loopt asynchroon.

Wij niet.

23 augustus 2026

Zo moeder, zo dochter?

‘Kindje toch, waarom zou je kinderen willen?’ zei Miriam.

Susanne keek haar moeder geschrokken aan. Dit had ze niet van haar vooruitstrevende moeder verwacht.

Ze wist drommels goed dat haar moeder het niet makkelijk had met een drukke baan en een kind om op te voeden. Op te voeden? Nou ja, eerder liet ze Susanne aan haar lot over. Vrijheid noemde Miriam dat. Goed voor de zelfstandigheid.

‘Iedereen begint eraan, mam,’ zei Susanne. ‘Laura, Meike, Chantal... We zitten allemaal in dezelfde fase. Het hoort er nu eenmaal bij. Het is een verrijking.’

Miriam schudde haar hoofd. ‘Vriendinnen, San? Denk je echt dat die blijven? Zodra de luiers beginnen, gaat ieder haar eigen gang. Dan ben je ze kwijt. Ik wilde vroeger ook verder leren, Susanne. Mijn hele toekomst lag open. En toen ontmoette ik je vader. Hij zwoer dat hij er altijd voor me zou zijn. Tot mijn buik te dik werd voor seks. Toen ging hij er vandoor met mijn beste vriendin. Zo veel zijn vriendinnen dus waard.’

Susanne hield haar adem in. Het was de eerste keer dat haar moeder hier iets over vertelde.

‘Ik heb kromgelegen voor jou, Susanne,’ ging Miriam verder. ‘Ik heb me uit de naden moeten werken om directiesecretaresse te kunnen worden. Maar die managementfunctie? Die kon ik vergeten. Omdat ik alleenstaand was. Omdat ik niet flexibel kon reizen. Omdat ik elke middag om vijf uur moest stressen om een kind van de opvang te halen. Mannen met exact dezelfde papieren liepen me aan alle kanten voorbij. Alleen maar omdat ik de zorg voor jou had.’

Susanne keek naar haar moeder. Voor het eerst zag ze haar als jonge vrouw. Met kind. Alleenstaand.

Miriam merkte de verandering in Susannes blik. Ze leunde achterover.

‘Wilde Chantal niet dierenarts worden?’ vroeg Miriam. ‘Moest ze die wens niet laten varen omdat ze in verwachting raakte? En is ze nu zo gelukkig met haar kindje? Ja, natuurlijk, de oxytocine giert door je lijf als je een kindje hebt. Helemaal voor jezelf, in de wolken voel je je. Maar op een gegeven ogenblik komt het moment dat je terugkijkt en ziet dat alles voorbij is. Dat er niks meer kan worden van wat je gedroomd hebt.’

Het werd stil in de kamer. Susanne keek naar haar roze gelnagels.
Plotseling rechtte ze haar rug. Haar bedelarmband rinkelde.

‘Ik snap het, mam,’ zei ze zacht. ‘Ik ga die fout niet maken.’

Miriam glimlachte. Ze pakte haar glas en proostte op de toekomst van haar dochter.

09 augustus 2026

De werkverschaffer

Tropische dag vandaag. En ik wil nog een verhaal inzenden. Deadline. Eerst maar de koelte van het ochtendgloren binnenlaten om de hitte straks buiten te sluiten. Terwijl ik daarmee bezig ben, is mannetje al opgestaan. Veel te vroeg voor zijn doen. Hij doet lekker zijn ding, maar ik sta om zes uur al in de achtertuin om de warme – zeer warme – dag voor te zijn. Planten voeden, uitgebloeide bloemetjes afknippen, liefst het hele steeltje. Ik zie liever geen steeltjes als tandenstokers uit de bloempot steken. Blaadjes uit de vijver scheppen, pompje op het droge, pompje schoonspuiten, pompje het water weer in en bijvullen. Stroom erop. Hoera, die spuit weer lekker.

De achtertuin verder sproeien; ik mag het nog wel, de boeren niet meer. Droogte in het hele land. Een subtropisch klimaat in Nederland, met een paar herfst- en wintermaanden waarin we ons herinneren wat hier ooit normaal was. Vliegtuigen brommen in de lucht. Daar gaan de vakantiegangers die aan de Middellandse Zee denken te vinden wat we hier allang hebben. Straks, daar: drukke stranden, een duik in een warme – veel te warme – zee. Geen verkoeling.

Tussendoor controleer ik de voortuin. Wat valt daar nog te doen wat niet tot morgen kan wachten? Eiwitten eten, schiet me te binnen, want ik moet mijn antibioticacapsule slikken. Lastig, twee stuks op een dag, het liefst precies om de twaalf uur. Om zeven uur slik ik de pil. Eindelijk weer verder met de voortuin.

Mannetje staat parmantig in de keuken zijn tweede koffie te zetten. Hij kijkt niet op of om. Mijn aanwezigheid is voor hem net zo vanzelfsprekend als de ongenaakbare zon die opkomt. Het wordt me te veel. Ik vraag hem dus om de kussens in de voortuin te leggen.

‘Waarom moet ik dat doen als je toch weggaat?’

Had hij dan niet gezien hoe hard ik al liep te hollen?

‘Omdat het pas kwart voor acht is,’ zeg ik. Mijn irritatie onderdruk ik niet.

‘Ja? En?’

‘Ik ga pas kwart voor tien weg. Er ligt een verhaal uitgeprint op de tuintafel. Dat wil ik nog lezen. Buiten!’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Oké. Ik vroeg het alleen maar om het te begrijpen.’

‘Dit verzin ik toch niet om jou bezig te houden? Ik ben toch niet van de werkverschaffing.’

26 juli 2026

Leegte

De oude man loopt wankelend naar zijn vertrouwde parkbankje. Er zit al een, in zijn ogen, jonge vrouw van middelbare leeftijd. Even overweegt hij om verder te lopen, maar na een bezoek aan zijn vrouw in het verzorgingshuis wil hij altijd even op dit bankje bijkomen.

‘Goede dag, jonge dame,’ zegt hij met zijn meest charmante toonzetting. Hij schrikt van zichzelf. Het voelt als vreemdgaan.

‘Dag meneer.’

Voorzichtig gaat hij aan de andere kant van het bankje zitten. Een tennisbal stuitert rakelings langs zijn voeten. Een hond met lange lichtblonde haren komt hijgend met schuim om zijn bek op hem afgerend. De oude man glimlacht. Vroeger had hij ook honden, maar op een gegeven moment kon hij het niet meer opbrengen om vier keer per dag die hond uit te laten. Zonder zijn Trudie was het niet meer gezellig. De hond pakt zijn bal, veegt zijn vieze bek af aan de broek van de man, alsof het een servet is. Zijn baasje in keurige Zuidas-outfit schreeuwt ‘kom hier Rex’ alsof hij ook een sociale kant heeft.

‘Leegte,’ zegt de man plotseling, zijn grijze kop lichtjes voorovergebogen. Scherpe, indringende, vaalblauwe ogen. Ogen die veel hebben gezien. Te veel. En nu zit hij hier naast een hem onbekende vrouw op het bankje. Het gras – een dag eerder gemaaid – ligt er dor bij, afgesneden van het leven, eenzaam te wachten om weggewaaid of vertrapt te worden tot een smurrie aan sneakers na die langverwachte plensbui.

De oude man verplaatst zijn gewicht wanneer hij zijn rechterbeen over zijn linker slaat. Het bankje kraakt zachtjes onder hem. Vroeger zat hij hier hand in hand met Trudie. Nu is hij lichter geworden, uitgehold door verdriet.

Na een lange stilte vervolgt de oude man:

‘Trudie, mijn lieve Trudie, ik kon haar niet meer thuis verzorgen, ze liep steeds weg. Nadat de politie voor de derde keer was ingeschakeld om haar te vinden, kwam er iemand van maatschappelijk werk langs, of was het de sociale dienst? Ik weet het niet meer. Indringend werd op mij ingesproken. Ze zeiden dat het te gevaarlijk was voor Trudie om nog thuis te wonen, dat het voor mij te belastend zou zijn. Maar welke last het ook is voor mij; ik wil Trudie thuis hebben, ook al kan ik niet meer met haar praten, ze begrijpt niets van wat ik vertel. Ze is alles vergeten, ons hele gezamenlijke verleden, alsof het er niet was, alsof wij als echtpaar er nooit waren. Elke dag bezoek ik haar, veeg het speeksel van haar kin, dep haar tranende ogen droog, kijk diep in haar ogen om niets te zien. Trudie is weg. Ik zit hier altijd even bij te komen voordat ik mijn voordeur open en de leegte van mijn huis – ooit ons huis – mij overvalt.’

Aan de andere kant van het bankje luistert de vrouw van in de vijftig. Vanuit haar ooghoeken kijkt ze naar de bibberende handen van de man. Haar grijze uitgroei verraadt een hang naar niet oud willen worden, al ontbreekt het haar de laatste tijd aan de moeite om de kapper te bezoeken. ‘Voor wie?’ vraagt ze zich elke ochtend voor de spiegel af. Het is een dagelijkse keuzestress tussen het tegenhouden van de tijd en het gemak van een leven zonder schaamte; een tussenpauze tussen een verleden vol gemiste kansen en de vrijheid om met geen enkele imaginaire vent rekening te hoeven houden.

De vrouw blijft naar het gras kijken.
Uiteindelijk zegt ze, meer tegen zichzelf dan tegen de oude man:

‘Wat heeft u een geluk gehad met uw Trudie. Vijftig jaar lang…’ Haar spieren spannen zich voordat ze verder spreekt:

‘Zelf heb ik nooit samengeleefd met wie dan ook. Geen man, geen kinderen, geen kleinkinderen. Elke keer als ik thuiskom is er leegte. Mijn hele leven lang al. Leegte.’

De man staat vermoeid op en zegt:

‘Het was mij aangenaam met u gesproken te hebben. Een fijne dag nog.’

De vrouw, van haar stuk gebracht, antwoordt:

‘Ik wens u veel sterkte.’

In zichzelf gekeerd hoort ze de man 'dank u' mompelen.

Als de liefde over is…

Verknocht raakte ik aan Anja. Elke week dacht ik haar te moeten zien. Me door haar te laten aanraken. Haar strelingen met zachte druk te erv...