08 maart 2026

Een onschuldige vraag

Anja zei dat ze de hele week niet naar de sportschool was geweest. Terloops, bijna gedachteloos. Meer als een poging tot verbinding dan als mededeling. Klaas zat achter zijn bureau, voor het grote scherm waarop cijfers en grafieken elkaar afwisselden. Alles in huis was meetbaar. De buitenverlichting, de fontein, het stroomverbruik wanneer zij water kookte. Klaas zag het allemaal. Aan het eind van de maand werden de cijfers naast die van vorige jaren gelegd, en naast die van andere huishoudens. Minder verbruik was reden voor tevredenheid. Meer verbruik vroeg om uitleg.

Anja werd er licht onrustig van. Niet omdat ze iets te verbergen had, maar omdat ze zich niet kon voorstellen waarom alles verklaard moest worden. Ze kon leven met onverklaarbare feiten. Met weken die anders liepen dan gepland. Ze wilde schrijven — verhalen, essays — vroeg in de ochtend, wanneer haar hoofd nog openlag. Weggaan midden in zo’n proces, om een les te volgen in een sportschool, voelde als een onderbreking die meer kostte dan ze opleverde. De afgelopen week had ze hard doorgewerkt, alsof haar leven ervan afhing. Geen zin in verplichtingen die konden wachten. Geen sociaal hallo of goede morgen. Thuisblijven voelde als doorgaan met de schrijfflow. Haar brein ratelde door. Het toetsenbord kreeg 270 aanslagen per minuut te verduren. Het lichaam in de kramp. Schouders gespannen. Het komt wel weer goed, wist ze al die tijd. Klaas had elke dag wel een update gehad. Over hoe ze zich voelde. Waarmee ze bezig was. Die zin in sport, in gezelligheid op de sportschool, komt vanzelf wel terug. Anja had er alle vertrouwen in.

Het was zaterdag. Ze had al drie uur achter elkaar geschreven. Haar hoofd stond strak van energie, alsof er te veel was opgeslagen en niets werd afgevoerd.

Klaas keek haar aan, knikte even, en vroeg:
‘Heb je eigenlijk nog wel zin om naar de sportschool te gaan?’

Anja voelde irritatie opkomen. Ze keek Klaas strak aan. Zijn ogen opengesperd met een blik van een onschuldig kijkend kind. Maar potjandorie, hij was geen kind. Hij was een echtgenoot. Zijn blond grijze krullen verstrooid langs de zijkant van zijn hoofd, zijn kruin al heel lang kaal. Zijn groene versleten fleecejack slobberde langs zijn bovenlijf.

‘Wat een rare vraag,’ zei ze. ‘Dan ga ik zeker tegen Marcella zeggen: “Ik heb er geen zin meer in. Kun je de resterende tijd van mijn jaarabonnement terugstorten?”’ Ze zag het al voor zich. Marcella die haar aankijkt en denkt: dit is een grap.

De absurditeit ontging hem. Anja verbaasde zich elke keer weer over hoe hij een deel van de feiten kon vergeten. En er dan iets nieuws van maakte: ‘een week geen sportschool, dus überhaupt nooit geen zin meer’. En dan met zo’n raar navraagzinnetje de hele relationele sfeer gaan verpesten. Waar Anja niets over mocht zeggen.

De irritatie werd bijna boosheid. Niet omdat hij het vroeg, maar omdat hij er iets van maakte. Alsof haar opmerking een probleem was dat opgelost moest worden. Ze kende dat mechanisme. Problemen boden houvast. Problemen kon je ordenen, begrijpen, beheersen. Mensen niet.

Ze zei verder niets. Ze had niets meer om mee te reageren.

‘Klaas, ik ga gewoon weer naar de sportschool.’

Hij zei niets terug. Hij keek haar aan alsof ze even niet helemaal scherp stond afgesteld. Anja keek naar buiten. Zwarte vogels vlogen door de mist. Enkele musjes wipten over de keien in de achtertuin. Ze liep zijn werkkamer uit. Achter haar hoorde ze een zacht, bijna verlegen ‘ik dacht gewoon…’.

22 februari 2026

De AI-vriend

De woonkamer had iets ongerijmds, alsof hij zich had verkleed voor een toneelstuk dat allang niet meer werd opgevoerd. Donker eiken, zware gordijnen, een pendelklok die stilstond. Janneke dacht aan een boerderijkeuken uit de jaren vijftig, maar dan zonder koeien, zonder leven. Alleen schrijvers.

Het gesprek over ieders werk was opvallend rustig verlopen. Zelfs Bart had zich ingehouden. Dat alleen al maakte haar argwanend. De Cabernet Sauvignon Merlot werd opnieuw ingeschonken. Janneke voelde hoe de hoofdpijn zich aandiende, scherp achter haar ogen. Ze had een Chardonnay meegenomen — fris, open — maar Corrie had vriendelijk dankjewel gezegd en de fles in de kast gezet, tussen de likeuren. Alsof het een souvenir was.

‘Ik wil gewoon niet,’ zei Marije ineens, ‘dat woorden mij door een machine in de mond worden gelegd.’

Ze veegde met het kerstservet over haar lippen. Het was mei.

‘Dat voelt als plagiaat,’ vervolgde ze, ‘maar dan zonder dader.’

Er viel een stilte die net iets te lang duurde. Janneke knikte. Te snel. Ze kende dit moment: het punt waarop zwijgen veiliger leek dan spreken, maar spreken onvermijdelijk werd.

‘En jij dan,’ zei Bart. Hij leunde achterover, zijn glas gevaarlijk scheef in zijn hand. ‘Jij met die vriend van je. Ton. Of heet hij anders als hij schrijft?’

Niemand lachte.

‘Die bouwt toch van die systemen,’ ging Bart verder. ‘Algoritmes. Verhalenfabrieken. Of ga je nu zeggen dat jij nog steeds…’ hij maakte een vaag gebaar met zijn hand ‘…met bloed en zweet zit te typen?’

Janneke voelde haar wangen gloeien.
‘Ik gebruik een spellingchecker,’ zei ze.
Het woord ‘alleen’ bleef in haar keel steken.

‘Een spellingchecker,’ herhaalde Marije. Ze glimlachte met haar linker mondhoek naar beneden. ‘Dat is ook wat ChatGPT zegt als je ’m vraagt of hij creatief is.’

‘Dit is precies het probleem,’ zei Bart, nu feller. ‘We doen alsof het onschuldig is. Alsof het een rekenmachine is. Maar het schrijft. Het denkt. Het vervangt.’

‘Het voorspelt,’ zei Janneke, voor ze zichzelf kon tegenhouden. ‘Het voorspelt welk woord waarschijnlijk volgt.’

‘Dat is semantiek,’ snauwde Marije. ‘Je weet net zo goed als ik dat voorspelbaarheid de dood van literatuur is.’

‘Alsof jij niet herschrijft,’ zei Bart. ‘Alsof jij niet schaaft, schrapt, optimaliseert.’

‘Dat doe ik,’ zei Marije. ‘Niet een systeem dat gevoed is met andermans werk.’

De woorden buitelden door elkaar heen. Stemmen kruisten elkaar, het rumoer van de marktplaats. Iemand had het over ‘ethiek’, iemand anders over ‘ambacht’. Het gesprek ging over in een samenzwering, alsof ze samen een kwaad probeerden op te roepen om het vervolgens te kunnen veroordelen.

Oude angsten borrelden bij Janneke op. Het doemscenario van haar nachtmerries zag ze voor haar ogen ontvouwen. Janneke verstijfde en zweeg.

‘Weet je wat het is,’ zei Bart, terwijl hij abrupt opstond, maar toch weer ging zitten. ‘Het is gewoon vals spel. Jij wint prijzen en wij mogen aannemen dat…’

‘Bart, Ton schrijft voor haar. Niks spellingchecker,’ zei Marije.

Messen sneden door het laatste stukje biefstuk.

‘Hou op,’ zei Janneke. Haar stem klonk dun. ‘Ton heeft niets met mijn werk te maken.’

‘Geloof je het zelf?’ vroeg Marije zacht.

Het was Corrie die kuchte. Niemand had op haar gelet. Corrie, met haar bloemetjesjurk, haar zachte stem, haar gewoonte om alles te nuanceren tot het onschadelijk werd.

‘Mijn broer schrijft ook algoritmes,’ zei ze.
De stilte sloeg dicht.

‘Niet voor verhalen,’ haastte ze zich te zeggen. ‘Voor medische beeldvorming. Maar het principe is hetzelfde. Patronen. Kansberekening. Allemaal menselijke input.’

Ze keek Marije aan. Toen Bart.
‘En ik gebruik ChatGPT. Voor mijn werk. En soms voor mijn teksten.’

Bart lachte schamper. ‘Natuurlijk jij ook.’

‘Ja,’ zei Corrie. ‘Natuurlijk ik ook. Elk gereedschap dat mij aan het beste schrijfstuk kan helpen, gebruik ik. En een ding kan ik je vertellen: die stukjes die jij schrijft kunnen best een AI-redactieslag gebruiken. Probeer het gewoon een keer.’

Ze vouwde haar handen alsof ze in gebed ging.
‘Ik laat mijn stukken checken zoals ook een redacteur zou doen. Maar met ChatGPT heb ik er wel eentje zonder ego, zonder persoonlijk vooroordeel, zonder een rugzakje die hij bij mij probeert te legen. Ik heb genoeg van die mannetjes.’

‘Maar een redacteur laat jou zelf corrigeren. AI corrigeert direct voor je. Of niet soms?’ opperde Marije in een laatste poging om haar gelijk te halen.

‘Nee, dat klopt niet. Althans… Het doet wel voorstellen waaruit ik kan kiezen, maar ik ben degene die bepaalt hoe ik het wil hebben. Ik moet zorgen dat het mijn schrijfstijl blijft en niet een groep 3 opstelletje,’ pareerde Corrie. ‘Net zoals mijn broer geen kanker geneest, maar wel helpt zien waar het zit.’

‘Zie je nou wel, AI maakt lui, je hoeft niet meer na te denken over formuleringen, je hoeft alleen nog maar te kiezen uit de opties die ChatGPT voorstelt,’ zei Bart.

Snijdende stilte in de keuken. Een brommer in de verte.

‘We doen nu,’ vervolgde Corrie, ‘alsof dit een moreel zuiveringsritueel is. Alsof we heksen aanwijzen.’ Ze keek even naar Janneke. ‘Maar misschien zijn we gewoon bang dat het laat zien hoe voorspelbaar we zelf zijn.’

De pendelklok tikte niet. De Blokker-klok aan de muur wel. Het laatste restje Sauvignon stond onaangeroerd. Niemand wilde het depot, het gruis, aan zijn tanden laten knarsen.

Janneke stond op, liep naar de gang.

Ze pakte van de volgepropte kapstok haar groene Shein-jas. Andere jassen vielen op de grond. Met de jas onder haar arm liep ze naar de voordeur en vertrok. Niemand had het in de gaten.

08 februari 2026

Leuk typetje

Met een knal doet ze haar laptop dicht.

Lange blonde gekrulde haren vallen over haar gezicht.
Weer geen mail of appje ontvangen.

Ingrid Boomsma denkt terug aan de gelukkige tijd dat ze mocht zorgen, organiseren, regelen. Ze werd gezien en gewaardeerd. Veel complimentjes over hoe ze eruitzag. Een sportief slank figuurtje: mantelpakjes stonden haar prachtig.

Op elke afspraak was ze keurig op tijd. Meestal tien minuten te vroeg zodat ze nog even de tijd had om haar make-up bij te werken. Dan ging ze naar een tafeltje toe, pakte haar laptop uit haar rolkoffertje, bestelde een café latte en ging druk typen alsof ze er al de hele dag gezeten had. Keurig recht op de stoel, haar benen nooit over elkaar geslagen – dat mocht niet van haar vader, die arts was. Slecht voor de doorbloeding, slecht voor de gewrichten.

Kwam de klant binnen dan was altijd duidelijk bij wie hij moest zijn. Ingrid had een aantrekkingskracht die niet te benoemen was, het ondefinieerbare van een uitermate keurig meisje met een mysterieuze, verscholen onbereikbaarheid.

Marketing- en promotie. Daar was ze voor ingezet. Zoals altijd gebeurde dat buiten kantoor. Besprekingen moest ze voeren ergens in het land, het liefst aan de snelweg. De klanten konden dan makkelijk parkeren en hoefden de stad niet in, waar de tarieven schrijnend hoog waren.

Ze had die dag meneer Johansson, een Zweed.
Een man met Hugo Boss-pak en een aftershave van hetzelfde merk. Helemaal Hugo Boss. Vreemd dat die man niet Hugo heette, maar Björn. Björn Johansson: wat een naam.

Hij stevende af op haar tafeltje, wilde zich voorstellen, maar was even de kluts kwijt. Het was of hij haar gelijke was, in uiterlijk en verschijning. Haperend stelde hij zich voor.

De klik was er.
Maar niet zakelijk.

Van alles werd besproken, slechts het persoonlijke, intiem en privé.

Ze pakten een hotelkamer.

De klant zou mailen over het zakelijke.
Ingrid wachtte met de rapportage.

Na enkele dagen wist ze het: van die Zweed zou ze niets meer horen.

Ze biechtte het gebeurde bij haar baas op.

Not amused.

Ze vertelde het tijdens haar beoordelingsgesprek.
Zakelijk, in de juiste volgorde, zonder details.

Haar baas luisterde met gevouwen handen.
Hij stelde geen vragen.
Hij keek haar alleen indringend aan.

De Zweed was een belangrijke klant geweest.
‘Was’, zei hij.
Met de Noorderzon vertrokken.

Hij bladerde door haar dossier.
Niet lang.
Hij wist wat erin stond.

‘We hebben je aangenomen omdat je een leuk typetje bent,’ zei hij.
‘En dat ben je ook. Dat is perfect voor deze job.’

Hij tikte met zijn Montblanc StarWalker op het bureau.

‘Maar het is niet de bedoeling dat een klant wegloopt.’

Als er alsnog een deal zou komen, mocht ze blijven.

Ingrid knikte. Tranen glinsterden op haar mascara.

De Zweed mailde niet. De rapportage bleef liggen.
Na een paar weken werd haar agenda leger.
De afspraken langs de snelweg verdwenen.

Andere typetjes kwamen.

Op een ochtend klapte Ingrid haar laptop dicht en bleef zwijgend zitten. Ze dacht aan hoe zorgvuldig alles altijd was geweest: de kleding, de houding, het wachten.

Ze had gedaan wat er van haar verwacht werd.

Bijna altijd.
Op één keer na.

Voor hen werd dat het enige dat telde.

Buiten denderde het verkeer door.
Bestuurders en bijrijders: iedereen met een doel.

Ingrid stond op, pakte haar tas en liet de laptop achter.

25 januari 2026

Vastgezogen

Slak Zotto kroop naar haar toe, glibberig, langzaam, maar gestaag.

Vastgenageld in haar tuinstoel. Benen bruin van zon en minirok.
Met knalroze fluorescerende gellak op teennagels in haar zwarte L.K. Bennett-slippers, model: Casper.

Alweer een meter dichterbij, de slak.

Elsa voelt haar dijbenen vochtig worden. Had ze maar een broek aangetrokken voor deze zonnige, zwoele dag.

Zen, eventjes zen, denkt ze.

Adem vier seconden in, hou het vier seconden vast, adem zes seconden uit, alle lucht uit het lijf: zo lang mogelijk vasthouden.

Lucht. Adem. We leven. Te veel veroorzaakt angst.

Angst. Altijd angst.

Haar moeder dood.
Zomaar.
Onverwacht.

En nu? Wat nu?

Elke dag belden ze met elkaar. Soms wel meerdere keren.

Zonder haar moeder had ze geen bestaansrecht meer.

Haar leven is koopjes jagen.
Maar dan alleen de luxeartikelen.

De krijsende buurvrouw met dat keffende hondje kocht slippers bij de Action.
Shirts en andere kleding bij C&A; weet wat de klant wil, en dus nog steeds niet failliet. Pasvorm altijd vrouwelijk. Duitse maten, lijkt het wel. Taille, heupen, ronde bips. Stof van perfecte kwaliteit.

Laatst nog ging ze voor de lol in het winkelcentrum Schalkwijk Haarlem passen. Ruime paskamers. Personeel dat discreet is en niet naar je toestapt met de vraag: ‘Heeft u hulp nodig’. No pressure.

Wat zou het fijn zijn als er geen druk meer op haar zou zitten. Ze kan het niet meer ontladen bij haar moeder. Nooit meer.

Mams’ as is over het Sloterpark Amsterdam vervlogen. Mag niet van de wetgever. Stiekem dus. Op haar laatste verjaardag, die ze in de hemel vierde. Het waaide. Het woei. Vervlogen de as. Vervlogen mams. Vervlogen tijden met houvast. Van mams.

Mams, waar ben je?

Zotto was nog maar twintig centimeter van haar voeten verwijderd. Elsa zag de voelsprieten heen en weer gaan. De geur van het leer dreef Zotto doelgericht naar haar slippers.

Voorzichtig ontworstelde Elsa haar zorgvuldig gepedicuurde voetjes uit haar L.K. Bennett’tjes, trok haar knieën omhoog en zette haar hielen op de rand van de stoel.

Zotto tastte de rechter slipper af. Klom erop en liep eroverheen tot het midden. Daar trok hij zich terug in zijn huisje en bleef vastgezogen zitten.

Elsa keek verrukt naar de slak.

De lessen mindfulness deden hun werk.

Na een half uur gingen haar benen slapen.

Voorzichtig strekte ze die uit.

Wijdbeens zette Elsa haar voeten op de grijze grindtegels. Heet.

Op blote voeten ging ze naar binnen.

Op de schoorsteenmantel zag ze de urn. Mams?

Tranen schoten in haar ogen.

Ze pakte haar mobieltje en toetste een nummer in.

‘Goedendag, waarmee kan u van dienst zijn?’

‘Hoe moet ik mijn slippers retourneren?’

Een onschuldige vraag

Anja zei dat ze de hele week niet naar de sportschool was geweest. Terloops, bijna gedachteloos. Meer als een poging tot verbinding dan als ...