Aangekomen bij het bushokje hoopte Joop dat hij niet de
laatste bus had gemist. Hij dacht na over wat hij tegen Anne had gezegd. Ben
je aangekomen? had hij gevraagd. Kennelijk had Anne daar weer iets achter
gezocht. Zo had hij het toch niet bedoeld. Het motregende. Het was natkoud. Hij
droeg een veel te dunne overjas.
Daar kwam de bus. Joop stapte in en na een keer overstappen
was hij weer thuis. Wasgoed hing en lag overal. Het rook muffig. Er was al
weken niet schoongemaakt. Hij drukte op de lichtschakelaar en een suffige
plafonnière van de kringloop verspreidde het ongezelligste licht denkbaar. Bij
Anne was het warm en knus. Ze had het uitgemaakt. Waarom eigenlijk?
In de keuken zat een kat. Een Europese lapjeskat, wist hij nog van de korte stage die hij ooit bij de dierenarts had gelopen. Dierenarts of dierenartsassistent was niets voor hem. Maar hij had toch helemaal geen kat? Waar kwam dat beest in godsnaam vandaan? Hoe dan ook, de kat had honger. Hij pakte een blikje tonijn uit het beige, gammele keukenkastje, trok het open, deed de inhoud in een schaaltje dat nog in de gootsteen stond en zette het voor de kat neer. Joop zocht iets te eten voor zichzelf, maar vond niets. Hij gaf de kat een rotschop en at de rest van de tonijn zelf op.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten