Met grote passen stak hij het plein bij De Entree over. Glas, staal, lucht. Alles glom. Ze zag hem al van ver: zijn lange haar, de gehaaste tred, die blik die altijd net langs mensen heen ging.
‘Hoi Maarten,’ zei ze. ‘Fijn dat je kon komen.’ Haar stem
klonk opgewekt. Hij bleef staan. Eén hand verdween in zijn broekzak. Sleutels
ritselden. Bij zijn heup glansde een klein labeltje: Armani.
‘Ik heb zo een meeting,’ zei hij. ‘Wat is er zo dringend dat
dit niet via een app kon?’
Ze had dit geoefend. Onder de douche. In de trein. Voor de
badkamerspiegel.
‘Ik ben zwanger.’
Hij ging zitten. Het rieten stoeltje kraakte. Hij schoof
zijn haar naar achteren.
‘Gaat het wel met je?’
‘Hoe kan dit? Je nam toch de pil?’
‘In het begin wel. Ik kreeg er last van. Ik ben gestopt.’
Nu keek hij haar aan. Strak. Misnoegd.
‘Wat, je bént ermee gestopt?’
‘We waren toch samen,’ zei ze. ‘Ik dacht dat we …’
‘Godverdomme.’
Hij liet zijn hoofd zakken en wreef met duim en wijsvinger
over zijn neusbrug.
‘Dit kan ik er niet bij hebben.’
Karin keek naar haar handen. Haar ringen: te veel
blakergoud, te veel voor deze povere ontmoeting. Vooral die opaal van haar oma
was ongepast. Een te sentimenteel steentje.
‘Wanneer laat je het weghalen?’ vroeg hij.
Karin trok weg. Een rilling over haar rug.
‘Dat kan ik niet,’ zei ze. ‘Dat past niet bij mij.’
Hij leunde achterover.
‘Je kunt wel met me naar bed, maar dit ineens niet?’
Een snelle, snakkende adem.
‘Ik hoopte dat je verantwoordelijkheid zou nemen,’ haperde ze.
Een schelle lach.
‘Verantwoordelijkheid? Karin, doe eens normaal.’
‘Je bent egoïstisch,’ klonk het zwak.
Maarten stond abrupt op.
‘Ik ga geen vader worden. Niet nu. En al helemaal niet met jou.’
Hij liep weg.
‘Dan ga ik wel voor adoptie!’ riep Karin hem na.
Hij liep door zonder nog om te kijken. Karin bleef als
versteend zitten terwijl om haar heen het leven doorging. Een mes tikte tegen
een glas. Iemand zei iets over een reis naar Ibiza.
Adoptie. Hoe haalde ze het in haar hoofd om zoiets te
roepen.
Karin ging door met haar werk. Ze regelde de catering als er
overgewerkt moest worden. Ze bemiddelde bij ruzies. In haar flatje in Nieuw
Sloten zette ze planten neer. Henk,
haar coördinator, merkte haar buikje op. Hij kende Karin als iemand die dingen
oploste. Maar hij zat met onderbezetting. Na een korte ziekmelding wegens
migraine wilde hij haar spreken.
‘Je weet dat ik onderbezet ben. Ik kan het me niet veroorloven dat je
langer uitvalt. Omdat je een contract voor bepaalde tijd hebt, kondig ik nu al
aan dat het niet verlengd gaat worden.’
‘Hoe moet ik dan verder?’
‘Ik begrijp jouw penibele situatie, maar ik kan er ook niets aan doen. Het is
jouw keuze om zonder man een kind te krijgen.’
Wat wist hij er nou van?
‘Neem de rest van de dag vrij.’
‘Mama,’ snikte ze aan de telefoon ‘mijn contract wordt niet
verlengd.’
‘Maar schat je deed het toch zo goed?’
‘Ik ben in verwachting en Maarten wil dat ik het laat aborteren.’
‘Hoe ver ben je?’
‘Wat bedoel je mama?’ piepte Karin.
‘Je zwangerschap. Kun je er nog iets aan doen?’
‘Iets aan doen? Bedoel je weg laten halen?’
‘Hoe heb je het zover laten komen?’
‘…’
‘Heb je wel nagedacht over je toekomst?’
Alsof zij dat ooit had gedaan.
‘…’
‘Een ongehuwde moeder…’
Karin slikte. Ze belde Bas en vertelde hem alles.
‘Joris en ik lopen al een tijdje met het idee om op zoek te gaan naar een
draagmoeder.’
‘Wat?’
‘We praten wel eens over kinderen,’ zei Bas.
‘Bas, ik weet niet hoe verder.’
In het weekend reed ze naar haar ouders in Purmerend. Haar
moeder deed open.
‘Lieverd.’
Dat ene woord was genoeg om iets te laten bezwijken waar
Karin zich wekenlang tegen had verzet. Aan de keukentafel werd weinig gezegd.
Haar vader keek naar het tafelblad. Haar moeder schoof haar stoel dichterbij.
‘Heb je dat écht tegen Maarten geroepen?’ vroeg ze. ‘Van die adoptie?’
Karin knikte, terwijl haar hand op haar buik bleef liggen.
Die nacht lag ze wakker in haar oude slaapkamer. De
lichtgevende sterren zaten aan het plafond, vergeeld aan de randen. In haar
buik voelde ze beweging. Ze draaide zich om en drukte haar gezicht in het
kussen. Snikte.
Daarna werd alles praktisch. Formulieren. Instanties. Een
maatschappelijk werker met een stem zonder rimpels. Ze had het over structuur.
Overzichtelijkheid in het belang van het kind. Haar vader kocht een tweedehands
wieg. Zette hem in elkaar. Haar moeder waste haar oude babykleertjes.
Toen belde Maarten.
‘Mijn ouders willen jou en je ouders spreken.’
‘Wat?’
‘Zaterdag. Twee uur. Purmerend.’
‘Waarom?’
‘De baby. Een oplossing.’
Een trilling. Maarten had opgehangen.
Ze huilde. Haar vader legde een hand op haar schouder. Hij leidde
haar naar de keuken en zette thee.
Zaterdagmiddag ging de bel. Maarten en zijn ouders. Aan
tafel nam zijn moeder direct het woord:
‘Karin, we begrijpen dat dit ingewikkeld is. Maar we willen vooral naar een juiste
oplossing toe.’
‘Wij willen het kindje,’ zei ze.
‘Jullie?’
Maarten keek haar met vermoeide blik aan.
‘Jij wilde adoptie. Dan is dit logisch.’
Zijn vader kuchte.
‘Een kind heeft stabiliteit nodig,’ zei hij. ‘En jij…’
Hij keek om zich heen. Naar de gang. De planten in de vensterbank. De vergeelde
vitrage.
‘Dit is geen eenvoudige situatie.’
‘Willen jullie haar kind afpakken?’ vroeg Karins vader.
‘Nee hoor,’ zei Maartens moeder. ‘We willen het alleen een fatsoenlijk thuis
geven.’
‘En wat is er mis met ons huis? Soms niet keurig genoeg voor jullie smaak?’
Karin voelde een schop. Ze legde haar hand op haar buik.
‘Nee, zo bedoel ik het niet,’ zei Maartens moeder.
‘En nu mijn huis uit,’ zei Karins vader, terwijl hij opstond. Zijn stoel schraapte
over de vloer. De Friese bruidsklok tikte door. Buiten trok een brommer op.
In de gang hoorde ze Maartens moeder nog fluisteren:
‘Ze maakt het zichzelf onnodig moeilijk.’
De deur viel dicht. De moeder keek naar haar gevouwen handen
op tafel. Een lichte trilling.
De vader keek doods naar het raam. Karin richtte haar blik op haar vader.
Die avond belde ze Bas.
‘Ze willen mijn kind hebben,’ zei ze.
‘Dat gebeurt niet,’ zei hij. ‘Maar je moet nu wel ophouden met netjes zijn.’
Dat bleef hangen. Ophouden met netjes zijn.
Ze maakten plannen. Kort. Praktisch. Namen. Mogelijkheden.
Dingen die vastgelegd moesten worden voordat iemand anders het verhaal over
haar ging opschrijven.
Toch lag ze die nacht wakker. Ze zag enveloppen voor zich
met officiële logo’s. Haar naam in dossiers. Mensen die haar zouden beschrijven
in taal die zogenaamd neutraal was en daardoor juist vernietigend. Emotioneel
belast. Kwetsbaar. Twijfelend.
Ze dacht aan Maarten, aan haar vader, aan haar moeder. Aan Bas en Joris, die een kinderkamer
inrichtten. Haar vader maakte afspraken, schreef namen op, bewaarde
papieren in mapjes. Hij ging samen met haar moeder door met de inrichting van
de babykamer. Geel en roze. Karin werd er weemoedig van.
De weeën zetten in. Groene lakens. Te fel licht. Haar moeder
hield haar hand vast. Karin kneep erin. Het eerste huilen.
‘Een meisje,’ zei de verpleegkundige, opgetogen alsof ze net haar eigen kind
had gebaard. Ze legden haar op Karins buik. Karin keek naar haar.
Later kwam het formulier. Bij ‘vader’ bleef haar pen hangen.
Ze dacht aan het terras. Aan zijn stem. Aan het woord adoptie. Karin schreef:
vader onbekend.
Die avond zat ze op bed met het kind tegen zich aan. Bas en
Joris waren er. Bloemen op tafel. Een plastic ziekenhuiskan op het nachtkastje.
De volgende ochtend hield ze het kind in haar armen.
Bij de balie schoof iemand een formulier naar haar toe.
Haar telefoon trilde.
Maarten.
Ze keek ernaar. Liet hem overgaan. Het kind maakte een zacht
rochelend geluidje.
Ze pakte haar pen, trok één streep onder de regel vader onbekend en
schoof het papier terug.
‘Is dit zo goed?’ vroeg de verpleegkundige.
Karin knikte. Haar telefoon trilde opnieuw.