17 mei 2026

Een oplossing

Met grote passen stak hij het plein bij De Entree over. Glas, staal, lucht. Alles glom. Ze zag hem al van ver: zijn lange haar, de gehaaste tred, die blik die altijd net langs mensen heen ging.

‘Hoi Maarten,’ zei ze. ‘Fijn dat je kon komen.’ Haar stem klonk opgewekt. Hij bleef staan. Eén hand verdween in zijn broekzak. Sleutels ritselden. Bij zijn heup glansde een klein labeltje: Armani.

‘Ik heb zo een meeting,’ zei hij. ‘Wat is er zo dringend dat dit niet via een app kon?’

Ze had dit geoefend. Onder de douche. In de trein. Voor de badkamerspiegel.
‘Ik ben zwanger.’

Hij ging zitten. Het rieten stoeltje kraakte. Hij schoof zijn haar naar achteren.
‘Gaat het wel met je?’
‘Hoe kan dit? Je nam toch de pil?’

‘In het begin wel. Ik kreeg er last van. Ik ben gestopt.’

Nu keek hij haar aan. Strak. Misnoegd.
‘Wat, je bént ermee gestopt?’

‘We waren toch samen,’ zei ze. ‘Ik dacht dat we …’
‘Godverdomme.’

Hij liet zijn hoofd zakken en wreef met duim en wijsvinger over zijn neusbrug.
‘Dit kan ik er niet bij hebben.’

Karin keek naar haar handen. Haar ringen: te veel blakergoud, te veel voor deze povere ontmoeting. Vooral die opaal van haar oma was ongepast. Een te sentimenteel steentje.

‘Wanneer laat je het weghalen?’ vroeg hij.

Karin trok weg. Een rilling over haar rug.
‘Dat kan ik niet,’ zei ze. ‘Dat past niet bij mij.’

Hij leunde achterover.
‘Je kunt wel met me naar bed, maar dit ineens niet?’

Een snelle, snakkende adem.
‘Ik hoopte dat je verantwoordelijkheid zou nemen,’ haperde ze.

Een schelle lach.
‘Verantwoordelijkheid? Karin, doe eens normaal.’

‘Je bent egoïstisch,’ klonk het zwak.

Maarten stond abrupt op.
‘Ik ga geen vader worden. Niet nu. En al helemaal niet met jou.’
Hij liep weg.

‘Dan ga ik wel voor adoptie!’ riep Karin hem na.

Hij liep door zonder nog om te kijken. Karin bleef als versteend zitten terwijl om haar heen het leven doorging. Een mes tikte tegen een glas. Iemand zei iets over een reis naar Ibiza.

Adoptie. Hoe haalde ze het in haar hoofd om zoiets te roepen.

Karin ging door met haar werk. Ze regelde de catering als er overgewerkt moest worden. Ze bemiddelde bij ruzies. In haar flatje in Nieuw Sloten zette ze planten neer. Henk, haar coördinator, merkte haar buikje op. Hij kende Karin als iemand die dingen oploste. Maar hij zat met onderbezetting. Na een korte ziekmelding wegens migraine wilde hij haar spreken.
Je weet dat ik onderbezet ben. Ik kan het me niet veroorloven dat je langer uitvalt. Omdat je een contract voor bepaalde tijd hebt, kondig ik nu al aan dat het niet verlengd gaat worden.’
‘Hoe moet ik dan verder?’
‘Ik begrijp jouw penibele situatie, maar ik kan er ook niets aan doen. Het is jouw keuze om zonder man een kind te krijgen.’

Wat wist hij er nou van?
‘Neem de rest van de dag vrij.’

‘Mama,’ snikte ze aan de telefoon ‘mijn contract wordt niet verlengd.’
‘Maar schat je deed het toch zo goed?’
‘Ik ben in verwachting en Maarten wil dat ik het laat aborteren.’
‘Hoe ver ben je?’
‘Wat bedoel je mama?’ piepte Karin.
‘Je zwangerschap. Kun je er nog iets aan doen?’
‘Iets aan doen? Bedoel je weg laten halen?’
‘Hoe heb je het zover laten komen?’
‘…’
‘Heb je wel nagedacht over je toekomst?’
Alsof zij dat ooit had gedaan.
‘…’
‘Een ongehuwde moeder…’
Karin slikte. Ze belde Bas en vertelde hem alles.
‘Joris en ik lopen al een tijdje met het idee om op zoek te gaan naar een draagmoeder.’
‘Wat?’
‘We praten wel eens over kinderen,’ zei Bas.
‘Bas, ik weet niet hoe verder.’

In het weekend reed ze naar haar ouders in Purmerend. Haar moeder deed open.
‘Lieverd.’

Dat ene woord was genoeg om iets te laten bezwijken waar Karin zich wekenlang tegen had verzet. Aan de keukentafel werd weinig gezegd. Haar vader keek naar het tafelblad. Haar moeder schoof haar stoel dichterbij.
‘Heb je dat écht tegen Maarten geroepen?’ vroeg ze. ‘Van die adoptie?’
Karin knikte, terwijl haar hand op haar buik bleef liggen.

Die nacht lag ze wakker in haar oude slaapkamer. De lichtgevende sterren zaten aan het plafond, vergeeld aan de randen. In haar buik voelde ze beweging. Ze draaide zich om en drukte haar gezicht in het kussen. Snikte.

Daarna werd alles praktisch. Formulieren. Instanties. Een maatschappelijk werker met een stem zonder rimpels. Ze had het over structuur. Overzichtelijkheid in het belang van het kind. Haar vader kocht een tweedehands wieg. Zette hem in elkaar. Haar moeder waste haar oude babykleertjes.

Toen belde Maarten.
‘Mijn ouders willen jou en je ouders spreken.’
‘Wat?’
‘Zaterdag. Twee uur. Purmerend.’
‘Waarom?’
‘De baby. Een oplossing.’
Een trilling. Maarten had opgehangen.

Ze huilde. Haar vader legde een hand op haar schouder. Hij leidde haar naar de keuken en zette thee.

Zaterdagmiddag ging de bel. Maarten en zijn ouders. Aan tafel nam zijn moeder direct het woord:
‘Karin, we begrijpen dat dit ingewikkeld is. Maar we willen vooral naar een juiste oplossing toe.’
‘Wij willen het kindje,’ zei ze.
‘Jullie?’

Maarten keek haar met vermoeide blik aan.
‘Jij wilde adoptie. Dan is dit logisch.’

Zijn vader kuchte.
‘Een kind heeft stabiliteit nodig,’ zei hij. ‘En jij…’
Hij keek om zich heen. Naar de gang. De planten in de vensterbank. De vergeelde vitrage.
‘Dit is geen eenvoudige situatie.’
‘Willen jullie haar kind afpakken?’ vroeg Karins vader.
‘Nee hoor,’ zei Maartens moeder. ‘We willen het alleen een fatsoenlijk thuis geven.’
‘En wat is er mis met ons huis? Soms niet keurig genoeg voor jullie smaak?’

Karin voelde een schop. Ze legde haar hand op haar buik.

‘Nee, zo bedoel ik het niet,’ zei Maartens moeder.
‘En nu mijn huis uit,’ zei Karins vader, terwijl hij opstond. Zijn stoel schraapte over de vloer. De Friese bruidsklok tikte door. Buiten trok een brommer op.

In de gang hoorde ze Maartens moeder nog fluisteren:
‘Ze maakt het zichzelf onnodig moeilijk.’

De deur viel dicht. De moeder keek naar haar gevouwen handen op tafel. Een lichte trilling.
De vader keek doods naar het raam. Karin richtte haar blik op haar vader.

Die avond belde ze Bas.
‘Ze willen mijn kind hebben,’ zei ze.
‘Dat gebeurt niet,’ zei hij. ‘Maar je moet nu wel ophouden met netjes zijn.’
Dat bleef hangen. Ophouden met netjes zijn.

Ze maakten plannen. Kort. Praktisch. Namen. Mogelijkheden. Dingen die vastgelegd moesten worden voordat iemand anders het verhaal over haar ging opschrijven.

Toch lag ze die nacht wakker. Ze zag enveloppen voor zich met officiële logo’s. Haar naam in dossiers. Mensen die haar zouden beschrijven in taal die zogenaamd neutraal was en daardoor juist vernietigend. Emotioneel belast. Kwetsbaar. Twijfelend.

Ze dacht aan Maarten, aan haar vader, aan haar moeder. Aan Bas en Joris, die een kinderkamer inrichtten. Haar vader maakte afspraken, schreef namen op, bewaarde papieren in mapjes. Hij ging samen met haar moeder door met de inrichting van de babykamer. Geel en roze. Karin werd er weemoedig van.

De weeën zetten in. Groene lakens. Te fel licht. Haar moeder hield haar hand vast. Karin kneep erin. Het eerste huilen.
‘Een meisje,’ zei de verpleegkundige, opgetogen alsof ze net haar eigen kind had gebaard. Ze legden haar op Karins buik. Karin keek naar haar.

Later kwam het formulier. Bij ‘vader’ bleef haar pen hangen. Ze dacht aan het terras. Aan zijn stem. Aan het woord adoptie. Karin schreef: vader onbekend.

Die avond zat ze op bed met het kind tegen zich aan. Bas en Joris waren er. Bloemen op tafel. Een plastic ziekenhuiskan op het nachtkastje.

De volgende ochtend hield ze het kind in haar armen.
Bij de balie schoof iemand een formulier naar haar toe.
Haar telefoon trilde.

Maarten.

Ze keek ernaar. Liet hem overgaan. Het kind maakte een zacht rochelend geluidje.
Ze pakte haar pen, trok één streep onder de regel vader onbekend en schoof het papier terug.
‘Is dit zo goed?’ vroeg de verpleegkundige.
Karin knikte. Haar telefoon trilde opnieuw.


03 mei 2026

De kater

Aangekomen bij het bushokje hoopte Joop dat hij niet de laatste bus had gemist. Hij dacht na over wat hij tegen Anne had gezegd. Ben je aangekomen? had hij gevraagd. Kennelijk had Anne daar weer iets achter gezocht. Zo had hij het toch niet bedoeld. Het motregende. Het was natkoud. Hij droeg een veel te dunne overjas.

Daar kwam de bus. Joop stapte in en na een keer overstappen was hij weer thuis. Wasgoed hing en lag overal. Het rook muffig. Er was al weken niet schoongemaakt. Hij drukte op de lichtschakelaar en een suffige plafonnière van de kringloop verspreidde het ongezelligste licht denkbaar. Bij Anne was het warm en knus. Ze had het uitgemaakt. Waarom eigenlijk?

In de keuken zat een kat. Een Europese lapjeskat, wist hij nog van de korte stage die hij ooit bij de dierenarts had gelopen. Dierenarts of dierenartsassistent was niets voor hem. Maar hij had toch helemaal geen kat? Waar kwam dat beest in godsnaam vandaan? Hoe dan ook, de kat had honger. Hij pakte een blikje tonijn uit het beige, gammele keukenkastje, trok het open, deed de inhoud in een schaaltje dat nog in de gootsteen stond en zette het voor de kat neer. Joop zocht iets te eten voor zichzelf, maar vond niets. Hij gaf de kat een rotschop en at de rest van de tonijn zelf op.

Een oplossing

Met grote passen stak hij het plein bij De Entree over. Glas, staal, lucht. Alles glom. Ze zag hem al van ver: zijn lange haar, de gehaaste ...