Anja zei dat ze de hele week niet naar de sportschool was geweest. Terloops, bijna gedachteloos. Meer als een poging tot verbinding dan als mededeling. Klaas zat achter zijn bureau, voor het grote scherm waarop cijfers en grafieken elkaar afwisselden. Alles in huis was meetbaar. De buitenverlichting, de fontein, het stroomverbruik wanneer zij water kookte. Klaas zag het allemaal. Aan het eind van de maand werden de cijfers naast die van vorige jaren gelegd, en naast die van andere huishoudens. Minder verbruik was reden voor tevredenheid. Meer verbruik vroeg om uitleg.
Anja werd er licht onrustig van. Niet omdat ze iets te
verbergen had, maar omdat ze zich niet kon voorstellen waarom alles verklaard
moest worden. Ze kon leven met onverklaarbare feiten. Met weken die anders
liepen dan gepland. Ze wilde schrijven — verhalen, essays — vroeg in de
ochtend, wanneer haar hoofd nog openlag. Weggaan midden in zo’n proces, om een
les te volgen in een sportschool, voelde als een onderbreking die meer kostte
dan ze opleverde. De afgelopen week had ze hard doorgewerkt, alsof haar leven
ervan afhing. Geen zin in verplichtingen die konden wachten. Geen sociaal hallo
of goede morgen. Thuisblijven voelde als doorgaan met de schrijfflow. Haar
brein ratelde door. Het toetsenbord kreeg 270 aanslagen per minuut te verduren.
Het lichaam in de kramp. Schouders gespannen. Het komt wel weer goed, wist ze
al die tijd. Klaas had elke dag wel een update gehad. Over hoe ze zich voelde.
Waarmee ze bezig was. Die zin in sport, in gezelligheid op de sportschool, komt
vanzelf wel terug. Anja had er alle vertrouwen in.
Het was zaterdag. Ze had al drie uur achter elkaar geschreven.
Haar hoofd stond strak van energie, alsof er te veel was opgeslagen en niets
werd afgevoerd.
Klaas keek haar aan, knikte even, en vroeg:
‘Heb je eigenlijk nog wel zin om naar de sportschool te gaan?’
Anja voelde irritatie opkomen. Ze keek Klaas strak aan. Zijn
ogen opengesperd met een blik van een onschuldig kijkend kind. Maar
potjandorie, hij was geen kind. Hij was een echtgenoot. Zijn blond grijze
krullen verstrooid langs de zijkant van zijn hoofd, zijn kruin al heel lang
kaal. Zijn groene versleten fleecejack slobberde langs zijn bovenlijf.
‘Wat een rare vraag,’ zei ze. ‘Dan ga ik zeker tegen
Marcella zeggen: “Ik heb er geen zin meer in. Kun je de resterende tijd van
mijn jaarabonnement terugstorten?”’ Ze zag het al voor zich. Marcella die haar
aankijkt en denkt: dit is een grap.
De absurditeit ontging hem. Anja verbaasde zich elke keer
weer over hoe hij een deel van de feiten kon vergeten. En er dan iets nieuws
van maakte: ‘een week geen sportschool, dus überhaupt nooit geen zin meer’. En
dan met zo’n raar navraagzinnetje de hele relationele sfeer gaan verpesten.
Waar Anja niets over mocht zeggen.
De irritatie werd bijna boosheid. Niet omdat hij het vroeg,
maar omdat hij er iets van maakte. Alsof haar opmerking een probleem was dat
opgelost moest worden. Ze kende dat mechanisme. Problemen boden houvast.
Problemen kon je ordenen, begrijpen, beheersen. Mensen niet.
Ze zei verder niets. Ze had niets meer om mee te reageren.
‘Klaas, ik ga gewoon weer naar de sportschool.’
Hij zei niets terug. Hij keek haar aan alsof ze even niet
helemaal scherp stond afgesteld. Anja keek naar buiten. Zwarte vogels vlogen
door de mist. Enkele musjes wipten over de keien in de achtertuin. Ze liep zijn
werkkamer uit. Achter haar hoorde ze een zacht, bijna verlegen ‘ik dacht
gewoon…’.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten