26 juli 2026

Leegte

De oude man loopt wankelend naar zijn vertrouwde parkbankje. Er zit al een, in zijn ogen, jonge vrouw van middelbare leeftijd. Even overweegt hij om verder te lopen, maar na een bezoek aan zijn vrouw in het verzorgingshuis wil hij altijd even op dit bankje bijkomen.

‘Goede dag, jonge dame,’ zegt hij met zijn meest charmante toonzetting. Hij schrikt van zichzelf. Het voelt als vreemdgaan.

‘Dag meneer.’

Voorzichtig gaat hij aan de andere kant van het bankje zitten. Een tennisbal stuitert rakelings langs zijn voeten. Een hond met lange lichtblonde haren komt hijgend met schuim om zijn bek op hem afgerend. De oude man glimlacht. Vroeger had hij ook honden, maar op een gegeven moment kon hij het niet meer opbrengen om vier keer per dag die hond uit te laten. Zonder zijn Trudie was het niet meer gezellig. De hond pakt zijn bal, veegt zijn vieze bek af aan de broek van de man, alsof het een servet is. Zijn baasje in keurige Zuidas-outfit schreeuwt ‘kom hier Rex’ alsof hij ook een sociale kant heeft.

‘Leegte,’ zegt de man plotseling, zijn grijze kop lichtjes voorovergebogen. Scherpe, indringende, vaalblauwe ogen. Ogen die veel hebben gezien. Te veel. En nu zit hij hier naast een hem onbekende vrouw op het bankje. Het gras – een dag eerder gemaaid – ligt er dor bij, afgesneden van het leven, eenzaam te wachten om weggewaaid of vertrapt te worden tot een smurrie aan sneakers na die langverwachte plensbui.

De oude man verplaatst zijn gewicht wanneer hij zijn rechterbeen over zijn linker slaat. Het bankje kraakt zachtjes onder hem. Vroeger zat hij hier hand in hand met Trudie. Nu is hij lichter geworden, uitgehold door verdriet.

Na een lange stilte vervolgt de oude man:

‘Trudie, mijn lieve Trudie, ik kon haar niet meer thuis verzorgen, ze liep steeds weg. Nadat de politie voor de derde keer was ingeschakeld om haar te vinden, kwam er iemand van maatschappelijk werk langs, of was het de sociale dienst? Ik weet het niet meer. Indringend werd op mij ingesproken. Ze zeiden dat het te gevaarlijk was voor Trudie om nog thuis te wonen, dat het voor mij te belastend zou zijn. Maar welke last het ook is voor mij; ik wil Trudie thuis hebben, ook al kan ik niet meer met haar praten, ze begrijpt niets van wat ik vertel. Ze is alles vergeten, ons hele gezamenlijke verleden, alsof het er niet was, alsof wij als echtpaar er nooit waren. Elke dag bezoek ik haar, veeg het speeksel van haar kin, dep haar tranende ogen droog, kijk diep in haar ogen om niets te zien. Trudie is weg. Ik zit hier altijd even bij te komen voordat ik mijn voordeur open en de leegte van mijn huis – ooit ons huis – mij overvalt.’

Aan de andere kant van het bankje luistert de vrouw van in de vijftig. Vanuit haar ooghoeken kijkt ze naar de bibberende handen van de man. Haar grijze uitgroei verraadt een hang naar niet oud willen worden, al ontbreekt het haar de laatste tijd aan de moeite om de kapper te bezoeken. ‘Voor wie?’ vraagt ze zich elke ochtend voor de spiegel af. Het is een dagelijkse keuzestress tussen het tegenhouden van de tijd en het gemak van een leven zonder schaamte; een tussenpauze tussen een verleden vol gemiste kansen en de vrijheid om met geen enkele imaginaire vent rekening te hoeven houden.

De vrouw blijft naar het gras kijken.
Uiteindelijk zegt ze, meer tegen zichzelf dan tegen de oude man:

‘Wat heeft u een geluk gehad met uw Trudie. Vijftig jaar lang…’ Haar spieren spannen zich voordat ze verder spreekt:

‘Zelf heb ik nooit samengeleefd met wie dan ook. Geen man, geen kinderen, geen kleinkinderen. Elke keer als ik thuiskom is er leegte. Mijn hele leven lang al. Leegte.’

De man staat vermoeid op en zegt:

‘Het was mij aangenaam met u gesproken te hebben. Een fijne dag nog.’

De vrouw, van haar stuk gebracht, antwoordt:

‘Ik wens u veel sterkte.’

In zichzelf gekeerd hoort ze de man 'dank u' mompelen.

12 juli 2026

Paradepaardje op Vinted

Kleren zat. Mijn kasten puilen uit van de gekochte en vooral zelfgemaakte kleding. Verkopen op Vinted, dat lijkt me wel wat.

Ik begin bij de kast met kleding voor warme zomers en bijzondere gelegenheden. Zelfgemaakte, kleurrijke jurkjes: ruimvallend en makkelijk aan te trekken, bijna als die overgooiers van vroeger. Het zat zo lekker, net als mijn comfortabele kleding nu: wijde jurken, sportbroeken met stretch en breed elastiek, en altijd mijn gympen. 'Sloompie-stijl' noem ik het, waarbij de sportschoenen de finishing touch zijn. Het is pure noodzaak; alleen dankzij de demping van die schoenen kon ik ondanks zware artrose blijven lopen.

Dan valt mijn oog op een zwart jurkje. Ik houd het tegen mijn gezicht en snuif de geur op. Het is de geur van mijn moeder. Haar parfum – verdampt, maar nog altijd nadrukkelijk aanwezig.

Mijn gedachten dwalen af naar die ene zomerse dag in de Beethovenstraat. We liepen een haute couture-zaak binnen. Alles ademde luxe en mijn moeder voelde zich er direct thuis. We zochten iets voor haar, maar het enige dat haar echt entzückte, was dit zwarte, elegante jurkje met de lange ritssluiting op de rug. Bij zo’n jurk was lenigheid in de schouders een vereiste. Lenigheid om er leuk uit te zien. Lenigheid om de elegante vrouw te zijn tussen een overvloed aan testosteron.

Ik stond voor de vrijstaande spiegel en zag een mannequin. De stof volgde de zandloperlijnen van mijn lichaam, mijn kuiten piepten er gespierd maar rank onderuit. Mijn moeder keek in de spiegel en zag zichzelf, veertig jaar geleden. Met een zwart nylon overslagjasje erbij was ik in één klap 'gekleed'. Ze rekende met plezier af, alsof ze haar eigen geluk kocht.

Ik wist eigenlijk niet wanneer ik het nauwsluitende, mouwloze ding moest dragen. Naar mijn werk? Nee, daar droeg ik mantelpakjes. In zo’n jurkje moest je keurig stilzitten, met de benen over elkaar. Uiteindelijk droeg ik het tijdens een afscheidsborrel, inclusief het fladderige jasje en zwarte hakjes. Mijn toen nog slanke lichaam kwam volledig tot zijn recht. Ik voelde me een modepop, door mijn moeder aangekleed.

Het wordt tijd dat ik de nostalgie laat voor wat het is. Waarom blijven we toch zo hangen in dat verleden? Voor mijn moeder was ik graag het uithangbord waar ze trots op kon zijn. Ik wilde de dochter zijn die zij wenste, zolang ze maar van me hield. Maar gaandeweg kwam het pijnlijke inzicht: ze hield alleen van de uiterlijke schijn, van de perfecte dochter die een kopie was van wie ze zelf had willen zijn. Alleen als haar paradepaardje was er plaats voor mij in haar leven. Voor een eigen mening was geen ruimte. Een weerwoord werd bestraft. Geen fysieke klap, maar een emotionele: negeren of zwartmaken.

Zo zwart als het jurkje dat ik nu in mijn handen houd. Ik ruik er nog één keer aan en merk dat het cliché 'vervlogen tijden' de lading dekt. De tijd vervliegt, alleen haar geur blijft even hangen. Mijn geur, van heel lang geleden.

Ik hang de jurk op de paspop en maak de foto’s. Het overjasje drapeer ik eroverheen. Klik. Ik open de Vinted-app en typ:

'Design-tenue in zwart: nauwsluitend jurkje met ruimvallend overjasje voor een zomers briesje aan het strand. Voor de Parisienne van nu. Maat 40. Voor vijftig euro kun jij zijn wie ik ooit was.'

28 juni 2026

Haar lach blijft online

Ooit was ze mijn beste vriendin. Maar beetje bij beetje wilde ze steeds nadrukkelijker van mij horen hoe geweldig ze was. Ze zocht bevestiging. Geruststelling. Te pas en te onpas corrigeerde ze mij. Is het nou een Indisch of Indonesisch recept? Daarna een zenuwslopend lesje over het verschil. Alsof het daarom ging. Zij had Indonesische roots. Ik bezocht Duitse scholen in Spanje en Duitsland. De geschiedenislessen gingen bij mij alleen over de Tweede Wereldoorlog.

Ooit zei ik tegen haar dat zolang ze zinnige dingen zei tussen al die venijnige opmerkingen ik met haar bevriend zou blijven. Ze moest lachen. Het was geen grap. Het was een waarschuwing.

Op onze laatste afspraak bij mij vertelde ze alleen over zichzelf. Tussendoor gaf ze mij ongevraagde adviezen, waaronder het dringende advies om van mijn man te gaan scheiden. Het was genoeg geweest. Per mail liet ik haar weten dat ik niet meer wilde afspreken. ‘Oké, als je weer wilt afspreken hoor ik het wel.’ Elke keer als ik haar miste, las ik mijn laatste mail aan haar. Het hielp om niet in de valkuil van nostalgie te vallen.

Vijf jaar later hoorde ik per toeval dat ze aan kanker was overleden.

Wat als ik geweten had dat ze doodziek was?
Misschien was ik uit schuldgevoel gegaan.
Misschien uit sociale plicht.

Haar stralende lach. Nog steeds op sociale media.

14 juni 2026

Meneer Ruud

In de wachtruimte van de fysiotherapie. Het speelgoed op het peutertafeltje netjes opgestapeld. De receptie onbezet. Zaterdag na het sporten.

Vier vrouwen van middelbare leeftijd. Allemaal de menopauze allang voorbij. Vergeten het boodschappenlijstje met maandverband en tampons erop. Vergeten de klodders gestold bloed in tinten bruin, donkerrood en paars. Maar de echte klachten waren niet vergeten. Het nachtelijke zweten. Het doorlekken op het werk of in bed. De opvliegers die uit het niets kwamen. Het korte lontje voor iedereen die iets wilde. Vooral met rust gelaten worden – ondergaan wat blijkbaar bij vrouw-zijn hoorde.

We moesten door.
Dus gingen we door.

Alles kwam boven. Alles werd gedeeld. Overgangsklachten. We voelden ons verbonden door een gemeenschappelijk lot.

Tot Ruud hijgend met zijn blauwe kruk moeizaam naar ons toe stiefelde. De schoolmeester uit de jaren vijftig, dacht ik.

‘Menopauzeklachten komen door een slechte nachtrust. De rest is onzin.’

Ik dacht terug aan mijn eigen overgang. Weinig klachten. En van slaapgebrek was al helemaal geen sprake. Behalve die keren dat ik van plakkerige dijbenen wakker werd. Terwijl ik daar nog over nadacht, gingen de andere vrouwen met Ruud in gesprek. Tot mijn verbazing luisterden ze aandachtig naar hem.

Ik pakte mijn spullen en liep weg.
Niemand die het in de gaten had.

31 mei 2026

Rucola voor vier dagen

Ben ik ’s ochtends tijdens mijn gouden uren rucola aan het uitdunnen. Liever schrijf ik. Maar jij wilt elke avond rucola op je brood. Dus kweek ik die in onze moestuinbak. Voor mezelf hoeft het niet.

‘Ik heb de plantjes uitgedund.’
‘Fijn.’
‘Kijk, een zakje voor vier dagen.’
‘Lekker.’

‘Het was veel werk, hóór,’ zeg ik in een laatste poging iets van erkenning los te peuteren.

‘Zullen we het de volgende keer samen doen?’

‘Liever doe ik het alleen.’
‘Oké.’

Daarna vertelt hij half afwezig dat hij later terug zal zijn van sporten. Eerst nog boodschappen doen. Gedemineraliseerd water halen om de zonnepanelen schoon te spuiten. Pollen. Extra opbrengst. Zijn hobby.

‘Wat zie je er leuk uit, Eveline.’
Niet voor jou gedaan.

‘Lekker, die aardbeien.’
Eindelijk zelf schoongemaakt, omdat jij daar nooit aan toekomt.

‘Wat ben je narrig.’

‘Hm…’

‘Is er iets?’

‘Ja, er is iets. Ik ben het zat dat ik van alles voor jou doe en jij denkt dat ‘lekker’ of ‘wat zie je er leuk uit’ genoeg is.’

‘Heb ik iets verkeerd gedaan?’

‘Ja. Ik ben moe van altijd maar zorgen en vervolgens afgescheept worden met dat oppervlakkige gedoe.’

En toen was er ruzie.

17 mei 2026

Een oplossing

Met grote passen stak hij het plein bij De Entree over. Glas, staal, lucht. Alles glom. Ze zag hem al van ver: zijn lange haar, de gehaaste tred, die blik die altijd net langs mensen heen ging.

‘Hoi Maarten,’ zei ze. ‘Fijn dat je kon komen.’ Haar stem klonk opgewekt. Hij bleef staan. Eén hand verdween in zijn broekzak. Sleutels ritselden. Bij zijn heup glansde een klein labeltje: Armani.

‘Ik heb zo een meeting,’ zei hij. ‘Wat is er zo dringend dat dit niet via een app kon?’

Ze had dit geoefend. Onder de douche. In de trein. Voor de badkamerspiegel.
‘Ik ben zwanger.’

Hij ging zitten. Het rieten stoeltje kraakte. Hij schoof zijn haar naar achteren.
‘Gaat het wel met je?’
‘Hoe kan dit? Je nam toch de pil?’

‘In het begin wel. Ik kreeg er last van. Ik ben gestopt.’

Nu keek hij haar aan. Strak. Misnoegd.
‘Wat, je bént ermee gestopt?’

‘We waren toch samen,’ zei ze. ‘Ik dacht dat we …’
‘Godverdomme.’

Hij liet zijn hoofd zakken en wreef met duim en wijsvinger over zijn neusbrug.
‘Dit kan ik er niet bij hebben.’

Karin keek naar haar handen. Haar ringen: te veel blakergoud, te veel voor deze povere ontmoeting. Vooral die opaal van haar oma was ongepast. Een te sentimenteel steentje.

‘Wanneer laat je het weghalen?’ vroeg hij.

Karin trok weg. Een rilling over haar rug.
‘Dat kan ik niet,’ zei ze. ‘Dat past niet bij mij.’

Hij leunde achterover.
‘Je kunt wel met me naar bed, maar dit ineens niet?’

Een snelle, snakkende adem.
‘Ik hoopte dat je verantwoordelijkheid zou nemen,’ haperde ze.

Een schelle lach.
‘Verantwoordelijkheid? Karin, doe eens normaal.’

‘Je bent egoïstisch,’ klonk het zwak.

Maarten stond abrupt op.
‘Ik ga geen vader worden. Niet nu. En al helemaal niet met jou.’
Hij liep weg.

‘Dan ga ik wel voor adoptie!’ riep Karin hem na.

Hij liep door zonder nog om te kijken. Karin bleef als versteend zitten terwijl om haar heen het leven doorging. Een mes tikte tegen een glas. Iemand zei iets over een reis naar Ibiza.

Adoptie. Hoe haalde ze het in haar hoofd om zoiets te roepen.

Karin ging door met haar werk. Ze regelde de catering als er overgewerkt moest worden. Ze bemiddelde bij ruzies. In haar flatje in Nieuw Sloten zette ze planten neer. Henk, haar coördinator, merkte haar buikje op. Hij kende Karin als iemand die dingen oploste. Maar hij zat met onderbezetting. Na een korte ziekmelding wegens migraine wilde hij haar spreken.
Je weet dat ik onderbezet ben. Ik kan het me niet veroorloven dat je langer uitvalt. Omdat je een contract voor bepaalde tijd hebt, kondig ik nu al aan dat het niet verlengd gaat worden.’
‘Hoe moet ik dan verder?’
‘Ik begrijp jouw penibele situatie, maar ik kan er ook niets aan doen. Het is jouw keuze om zonder man een kind te krijgen.’

Wat wist hij er nou van?
‘Neem de rest van de dag vrij.’

‘Mama,’ snikte ze aan de telefoon ‘mijn contract wordt niet verlengd.’
‘Maar schat je deed het toch zo goed?’
‘Ik ben in verwachting en Maarten wil dat ik het laat aborteren.’
‘Hoe ver ben je?’
‘Wat bedoel je mama?’ piepte Karin.
‘Je zwangerschap. Kun je er nog iets aan doen?’
‘Iets aan doen? Bedoel je weg laten halen?’
‘Hoe heb je het zover laten komen?’
‘…’
‘Heb je wel nagedacht over je toekomst?’
Alsof zij dat ooit had gedaan.
‘…’
‘Een ongehuwde moeder…’
Karin slikte. Ze belde Bas en vertelde hem alles.
‘Joris en ik lopen al een tijdje met het idee om op zoek te gaan naar een draagmoeder.’
‘Wat?’
‘We praten wel eens over kinderen,’ zei Bas.
‘Bas, ik weet niet hoe verder.’

In het weekend reed ze naar haar ouders in Purmerend. Haar moeder deed open.
‘Lieverd.’

Dat ene woord was genoeg om iets te laten bezwijken waar Karin zich wekenlang tegen had verzet. Aan de keukentafel werd weinig gezegd. Haar vader keek naar het tafelblad. Haar moeder schoof haar stoel dichterbij.
‘Heb je dat écht tegen Maarten geroepen?’ vroeg ze. ‘Van die adoptie?’
Karin knikte, terwijl haar hand op haar buik bleef liggen.

Die nacht lag ze wakker in haar oude slaapkamer. De lichtgevende sterren zaten aan het plafond, vergeeld aan de randen. In haar buik voelde ze beweging. Ze draaide zich om en drukte haar gezicht in het kussen. Snikte.

Daarna werd alles praktisch. Formulieren. Instanties. Een maatschappelijk werker met een stem zonder rimpels. Ze had het over structuur. Overzichtelijkheid in het belang van het kind. Haar vader kocht een tweedehands wieg. Zette hem in elkaar. Haar moeder waste haar oude babykleertjes.

Toen belde Maarten.
‘Mijn ouders willen jou en je ouders spreken.’
‘Wat?’
‘Zaterdag. Twee uur. Purmerend.’
‘Waarom?’
‘De baby. Een oplossing.’
Een trilling. Maarten had opgehangen.

Ze huilde. Haar vader legde een hand op haar schouder. Hij leidde haar naar de keuken en zette thee.

Zaterdagmiddag ging de bel. Maarten en zijn ouders. Aan tafel nam zijn moeder direct het woord:
‘Karin, we begrijpen dat dit ingewikkeld is. Maar we willen vooral naar een juiste oplossing toe.’
‘Wij willen het kindje,’ zei ze.
‘Jullie?’

Maarten keek haar met vermoeide blik aan.
‘Jij wilde adoptie. Dan is dit logisch.’

Zijn vader kuchte.
‘Een kind heeft stabiliteit nodig,’ zei hij. ‘En jij…’
Hij keek om zich heen. Naar de gang. De planten in de vensterbank. De vergeelde vitrage.
‘Dit is geen eenvoudige situatie.’
‘Willen jullie haar kind afpakken?’ vroeg Karins vader.
‘Nee hoor,’ zei Maartens moeder. ‘We willen het alleen een fatsoenlijk thuis geven.’
‘En wat is er mis met ons huis? Soms niet keurig genoeg voor jullie smaak?’

Karin voelde een schop. Ze legde haar hand op haar buik.

‘Nee, zo bedoel ik het niet,’ zei Maartens moeder.
‘En nu mijn huis uit,’ zei Karins vader, terwijl hij opstond. Zijn stoel schraapte over de vloer. De Friese bruidsklok tikte door. Buiten trok een brommer op.

In de gang hoorde ze Maartens moeder nog fluisteren:
‘Ze maakt het zichzelf onnodig moeilijk.’

De deur viel dicht. De moeder keek naar haar gevouwen handen op tafel. Een lichte trilling.
De vader keek doods naar het raam. Karin richtte haar blik op haar vader.

Die avond belde ze Bas.
‘Ze willen mijn kind hebben,’ zei ze.
‘Dat gebeurt niet,’ zei hij. ‘Maar je moet nu wel ophouden met netjes zijn.’
Dat bleef hangen. Ophouden met netjes zijn.

Ze maakten plannen. Kort. Praktisch. Namen. Mogelijkheden. Dingen die vastgelegd moesten worden voordat iemand anders het verhaal over haar ging opschrijven.

Toch lag ze die nacht wakker. Ze zag enveloppen voor zich met officiële logo’s. Haar naam in dossiers. Mensen die haar zouden beschrijven in taal die zogenaamd neutraal was en daardoor juist vernietigend. Emotioneel belast. Kwetsbaar. Twijfelend.

Ze dacht aan Maarten, aan haar vader, aan haar moeder. Aan Bas en Joris, die een kinderkamer inrichtten. Haar vader maakte afspraken, schreef namen op, bewaarde papieren in mapjes. Hij ging samen met haar moeder door met de inrichting van de babykamer. Geel en roze. Karin werd er weemoedig van.

De weeën zetten in. Groene lakens. Te fel licht. Haar moeder hield haar hand vast. Karin kneep erin. Het eerste huilen.
‘Een meisje,’ zei de verpleegkundige, opgetogen alsof ze net haar eigen kind had gebaard. Ze legden haar op Karins buik. Karin keek naar haar.

Later kwam het formulier. Bij ‘vader’ bleef haar pen hangen. Ze dacht aan het terras. Aan zijn stem. Aan het woord adoptie. Karin schreef: vader onbekend.

Die avond zat ze op bed met het kind tegen zich aan. Bas en Joris waren er. Bloemen op tafel. Een plastic ziekenhuiskan op het nachtkastje.

De volgende ochtend hield ze het kind in haar armen.
Bij de balie schoof iemand een formulier naar haar toe.
Haar telefoon trilde.

Maarten.

Ze keek ernaar. Liet hem overgaan. Het kind maakte een zacht rochelend geluidje.
Ze pakte haar pen, trok één streep onder de regel vader onbekend en schoof het papier terug.
‘Is dit zo goed?’ vroeg de verpleegkundige.
Karin knikte. Haar telefoon trilde opnieuw.


03 mei 2026

De kater

Aangekomen bij het bushokje hoopte Joop dat hij niet de laatste bus had gemist. Hij dacht na over wat hij tegen Anne had gezegd. Ben je aangekomen? had hij gevraagd. Kennelijk had Anne daar weer iets achter gezocht. Zo had hij het toch niet bedoeld. Het motregende. Het was natkoud. Hij droeg een veel te dunne overjas.

Daar kwam de bus. Joop stapte in en na een keer overstappen was hij weer thuis. Wasgoed hing en lag overal. Het rook muffig. Er was al weken niet schoongemaakt. Hij drukte op de lichtschakelaar en een suffige plafonnière van de kringloop verspreidde het ongezelligste licht denkbaar. Bij Anne was het warm en knus. Ze had het uitgemaakt. Waarom eigenlijk?

In de keuken zat een kat. Een Europese lapjeskat, wist hij nog van de korte stage die hij ooit bij de dierenarts had gelopen. Dierenarts of dierenartsassistent was niets voor hem. Maar hij had toch helemaal geen kat? Waar kwam dat beest in godsnaam vandaan? Hoe dan ook, de kat had honger. Hij pakte een blikje tonijn uit het beige, gammele keukenkastje, trok het open, deed de inhoud in een schaaltje dat nog in de gootsteen stond en zette het voor de kat neer. Joop zocht iets te eten voor zichzelf, maar vond niets. Hij gaf de kat een rotschop en at de rest van de tonijn zelf op.

Drie woordjes

Paars. Tulpen. Chocola. Tegen vier uur ’s middags, het tijdstip waarop ik langzaam naar de nacht toewerk, staat Hanna voor mijn deur met e...