Annie stopt flesjes Spawater in twee felgekleurde rugzakken, geel en oranje met fluorescerende brede strepen. Voor moderne mannetjes gemaakt, ook ’s nachts te zien als het maanlicht door hoge boomtoppen piept.
‘Mam, wat ben je aan het doen?’ roept haar puberzoon vanaf
de bank. Een iPad op zijn schoot, een verkreukelde zak chips naast zich. Vanuit
de open ramen komt warme, ozongeladen lucht binnen. Buiten trekken brommers
snerpend op. Lucht, lucht, frisse lucht, denkt Annie. Gezonde lucht in de
bossen van de Ardennen voor haar twee jongsten van drie en vijf. Die Louis daar,
hangend op de bank, neemt zijn halfbroertjes altijd in bescherming. Was hij
maar bij zijn eigen vader gebleven. Annie vult de twee felgekleurde rugzakjes verder
met mueslirepen, appels en pakjes rozijnen. Daarna nog een flesje water. Veel
water.
Annie denkt terug aan de vochtige kelder. Dagenlang zat ze
daar opgesloten, bang dat haar moeder iets zou overkomen. Of erger: haar zou
vergeten. Haar moeder vergat haar nooit. Zelfs niet die keer dat ze naar een
feest was gegaan en pas de volgende middag thuiskwam. Annie had onder aan de
keldertrap gezeten met haar armen om haar benen. Uit de verroeste kraan dronk
ze water dat voor de tuin was bedoeld. Het smaakte morsig; de dorst bleef. Met
al die flesjes schoon water was ze liefdevoller dan haar moeder.
‘Dat is
genoeg,’ zegt Louis. Annie stopt nog een flesje in de gele rugzak en antwoordt:
‘Je weet nooit hoelang het duurt.’
‘Hoe bedoel je?’ Annie trekt de ritssluiting dicht. Louis legt zijn iPad
naast zich neer. ‘Waar gaan jullie wandelen?’ vraagt hij met schorre stem.
‘We gaan naar België.’
‘Wie?’
‘Richard en ik. Met je broertjes.’
‘Wanneer?’
‘Straks.’
Louis komt overeind. ‘Hé?’ buldert hij. ‘Waarom weet ik daar niks van?’
‘Omdat je niet meegaat.’
‘Waarom mag ik niet mee?’
‘Omdat jij moet werken.’
‘Ik werk alleen zaterdags.’
Annie kijkt strak voor zich uit.
‘Waarom pak je zoveel eten en drinken in voor de kleintjes en niks voor jullie
zelf?’
‘Omdat ik een lieve mama ben.’
Richard manoeuvreert behendig over de snelweg. Annie zit
onderuitgezakt op haar telefoon te tikken. De jongetjes zingen hun liedjes.
Richard zingt luid mee. Bij Maastricht begint het te regenen. Grote druppels
kletteren tegen de voorruit. De ruitenwissers schuiven heen en weer. Annie
staart naar de vangrail. De kinderen vallen in slaap.
In België wordt de weg smaller. Kronkelig. Hobbelig. De huizen staan ver uit
elkaar. Donkere bossen bewegen ruisend langs de open autoramen.
De jongste schrikt mompelend wakker.
‘Zijn we er al?’
‘Bijna,’ zegt Richard.
Ze rijden een parkeerplaats op bij een bos. Er staat een
houten bord met wandelroutes. Daarnaast hangt een vuilnisbak met uitpuilende
verpakkingen. Richard stapt uit: ‘We gaan een schat zoeken.’ De jochies klappen
in hun handen. Staan te trappelen. Annie doet de veel te zware rugzakken bij
hen om. ‘Er zit drinken in,’ zegt ze. ‘En lekkere repen.’
Richard bindt een sjaal voor de ogen van de oudste. Annie doet hetzelfde bij de
jongste.
‘Niet spieken,’ maant Richard. Hij draait de kinderen een paar keer rond. Ze
lachen.
‘Jullie moeten tot honderd tellen. Daarna mogen jullie de blinddoek afdoen. De
schat ligt verderop.’
‘Waar dan?’
‘Dat gaan jullie zelf ontdekken.’
‘Een, twee, drie…’
Richard pakt Annie resoluut bij haar arm. Ze sluipen terug
naar de auto.
‘Zeven, acht, negen…’
De jongste telt te snel.
‘Opnieuw!’ roept zijn broer.
‘Een, twee, drie…’
Annie kijkt
nog een keer om. Ze zet één stap terug.
Ze ziet haar twee kleine zoontjes braaf en serieus een spelletje spelen.
Twee kleine kinderen met felgekleurde rugzakken tussen de bomen. De ene met een
geel rugzakje, de ander met een oranje. Richard legt zijn rechterarm om haar schouders en duwt haar mee.
‘Doorlopen,’ fluistert hij met krakende stem in haar oor. ‘Ze worden
heus wel gevonden, hebben ook genoeg
water.’
Ze stappen in en rijden weg. Annie draait zich om en ziet haar oudste met de
blinddoek wapperend in zijn hand naar haar kijken. Richard drukt het gaspedaal
in.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten