Willem was de toeschouwer van zijn eigen leven.
‘Wat vind je er nou van dat ik die kerel voor rot heb
gescholden, Willem?’
‘Moet jij weten.’
‘Heb je dan geen mening?’ vroeg Tessa verontwaardigd. Scheldpartij tegen de
buurman die zijn coniferen tot ver in hun tuin had overhangen. Die buurman
wilde maar niet snoeien en hij wilde ook niet dat zijn buren het deden.
Willem haalde zijn schouders op, een beweging die hij in de
loop der jaren had geperfectioneerd. Niet te groot, niet te opvallend. Een
schouderophalen dat niets losmaakte. ‘Het zijn maar coniferen,’ zei hij. ‘Ze
groeien nou eenmaal.’
Tessa keek hem aan alsof hij net had gezegd dat de
zwaartekracht een kwestie van smaak was. ‘Het gaat niet om die coniferen,’ zei
ze. ‘Het gaat erom dat hij gewoon doet alsof wij niet bestaan.’
Aantrekkelijk uitgangspunt. Alsof ze niet bestonden. Dat zou
een hoop schelen. Hij dacht aan zijn werkkamer, aan de headset die hij overdag
droeg, aan de spreadsheets waarin alles klopte zolang niemand erdoorheen
praatte.
Bestaan was overschat.
‘Ik zou het laten,’ zei hij. ‘Je maakt je alleen maar druk
om dingen die niet belangrijk zijn.’
Tessa zuchtte. Ze zuchtte vaak de laatste tijd, alsof ze
lucht tekortkwam in haar eigen huis. Het huis dat zij draaiende hield. De
eengezinswoning met de beige bank, de fotolijstjes met de oude foto’s van haar
en Willem op vakantie op Mallorca.
Het geluk spatte ervan af.
Toen.
Het wandrekje met inspirerende quotes verbleekte, het fletse
papier bolde op gevangen tussen een stevig kartonnetje en het plastic. Willem had
er geen belangstelling voor, vond het rommel, maar zou het nooit weghalen. Live,
laugh, love vond hij een prima motto zolang het geen actie vereiste.
De volgende ochtend stond Tessa al vroeg in de tuin.
Willem hoorde het pas toen hij achter zijn laptop zat.
Het scherpe, nerveuze geluid van een elektrische heggenschaar.
Hij verstijfde.
Geluid.
Chaos.
Zijn concentratie weg.
Hij liep naar het raam en zag haar staan, met een
vastberadenheid die hij alleen kende van de keren dat ze de keukenkastjes
opnieuw indeelde.
De coniferen werden niet netjes bijgewerkt; ze werden
aangepakt.
Alsof Tessa met elke afgeknipte tak iets corrigeerde wat al jaren scheef stond.
Willem dacht aan de buurman. Aan zijn kale schedel, zijn
altijd net te strakke T-shirts. Aan de muziek. André Hazes, luid en ongegeneerd.
De buurman wist dat Willem thuiswerkte. Dat had Willem hem ooit verteld, in een
poging tot sociaal verkeer die hij later betreurde.
Hij wilde naar buiten lopen.
Hij wilde zeggen: Tessa, doe even rustig. Misschien heeft hij wel gelijk.
Maar hij zei niets.
Vooral geen ruzie.
Het geschreeuw van zijn vrouw maakte hem klein. Bang. Alsof alles op instorten
stond. Daarom hield Willem zich aan één regel: wat niet gebeurde, was beter.
Vooral geen ruzie.
Niet met Tessa.
Niet met de buurman.
De muziek galmde een uur later door de muren zoals een
pneumatische boorhamer die zijn trommelvliezen zouden openbreken.
Het was geen subtiele overgang. Geen opbouw.
Het was alsof iemand een raam opensmeet en de wereld naar binnen gooide.
Zij gelooft in mij galmde door de muur.
Willem probeerde het een hoopvol nummer te vinden,
maar het dreunde in zijn borstkas, een lichte paniek overviel hem.
Tessa kwam naar binnen, met rode wangen. Conifeertakjes op
haar trui.
‘Hij doet het expres,’ zei ze. ‘Hij probeert jou te raken.’
Dat was nieuw.
Dat iemand hem raakte.
Willem keek naar zijn scherm.
‘Misschien had je het niet moeten doen,’ zei hij
voorzichtig.
Ze keek hem aan. ‘Dus dit is mijn schuld?’
‘Ik zeg alleen…’
‘Je zegt niks,’ onderbrak ze hem. ‘Dat is nou juist het probleem. Jij zegt nooit
wat.’
Niks zeggen was een keuze.
Een vreedzame. Een volwassen manier om door het leven te gaan.
Hij ging weer zitten, zette zijn noise-cancelling
koptelefoon op.
De cijfers flikkerden.
’s Avonds, toen de muziek was gestopt en de coniferen er
gehavend bij stonden, vertelde Tessa dat ze had gehoord dat de vrouw van de
buurman was weggelopen.
‘Omdat hij niet luisterde,’ zei ze. ‘Nooit. Altijd ging hij zijn eigen gang.
Nooit hield hij rekening met haar.’
Luisteren werd overgewaardeerd. Het leidde tot
verwachtingen.
Soms probeerde hij het.
Dan kwam hij met oplossingen.
‘Zat ik te wachten op jouw advies?’
‘Weet je,’ zei Tessa, terwijl ze de vaatwasser inruimde met
een precisie die iets dwangmatigs had, ‘soms denk ik dat jij ook zo iemand
bent. Iemand die gewoon wacht tot het over is.’
Willem wilde zeggen dat wachten een onderschatte vaardigheid
was. Dat veel problemen zichzelf oplosten als je ze met rust liet.
Maar hij zweeg.
Later die avond lag Willem in bed, luisterend naar de
stilte. Hij dacht aan de buurman, aan diens vrouw die op een dag gewoon met een
andere man naar Turkije was vertrokken. Hij stelde zich voor hoe zij had gezegd
dat ze niet meer gehoord werd. Hij stelde zich ook voor hoe het zou zijn als Tessa
ooit bij hem weg zou gaan. Hij kon dan niet zeggen dat hij het niet had zien
aankomen.
Tessa was altijd duidelijk geweest.
Te duidelijk.
Pijnlijk duidelijk.
De gedachte dat hij er alleen voor zou komen te staan,
zonder die wervelwind in zijn leven, kon Willem niet aan.
Hij dacht aan de buurman.
En aan hoe dat eindigde.
Naast hem ademde Tessa onregelmatig.
De volgende ochtend kocht hij een groot bos bloemen. Op het
kaartje schreef hij: Sorry.
Hij twijfelde even of hij erbij zou schrijven waarvoor. Maar hij wist ook niet
waarvoor. Tessa was kwaad op hem, terwijl hij toch niets verkeerd had gedaan.
Hij wilde dat het weer normaal werd.
Wat dat ook was.