22 maart 2026

Van geen kwaad bewust

Willem was de toeschouwer van zijn eigen leven.

‘Wat vind je er nou van dat ik die kerel voor rot heb gescholden, Willem?’
‘Moet jij weten.’
‘Heb je dan geen mening?’ vroeg Tessa verontwaardigd. Scheldpartij tegen de buurman die zijn coniferen tot ver in hun tuin had overhangen. Die buurman wilde maar niet snoeien en hij wilde ook niet dat zijn buren het deden.

Willem haalde zijn schouders op, een beweging die hij in de loop der jaren had geperfectioneerd. Niet te groot, niet te opvallend. Een schouderophalen dat niets losmaakte. ‘Het zijn maar coniferen,’ zei hij. ‘Ze groeien nou eenmaal.’

Tessa keek hem aan alsof hij net had gezegd dat de zwaartekracht een kwestie van smaak was. ‘Het gaat niet om die coniferen,’ zei ze. ‘Het gaat erom dat hij gewoon doet alsof wij niet bestaan.’

Aantrekkelijk uitgangspunt. Alsof ze niet bestonden. Dat zou een hoop schelen. Hij dacht aan zijn werkkamer, aan de headset die hij overdag droeg, aan de spreadsheets waarin alles klopte zolang niemand erdoorheen praatte.
Bestaan was overschat.

‘Ik zou het laten,’ zei hij. ‘Je maakt je alleen maar druk om dingen die niet belangrijk zijn.’

Tessa zuchtte. Ze zuchtte vaak de laatste tijd, alsof ze lucht tekortkwam in haar eigen huis. Het huis dat zij draaiende hield. De eengezinswoning met de beige bank, de fotolijstjes met de oude foto’s van haar en Willem op vakantie op Mallorca.
Het geluk spatte ervan af.
Toen.

Het wandrekje met inspirerende quotes verbleekte, het fletse papier bolde op gevangen tussen een stevig kartonnetje en het plastic. Willem had er geen belangstelling voor, vond het rommel, maar zou het nooit weghalen. Live, laugh, love vond hij een prima motto zolang het geen actie vereiste.

De volgende ochtend stond Tessa al vroeg in de tuin.
Willem hoorde het pas toen hij achter zijn laptop zat.
Het scherpe, nerveuze geluid van een elektrische heggenschaar.
Hij verstijfde.
Geluid.
Chaos.
Zijn concentratie weg.

Hij liep naar het raam en zag haar staan, met een vastberadenheid die hij alleen kende van de keren dat ze de keukenkastjes opnieuw indeelde.

De coniferen werden niet netjes bijgewerkt; ze werden aangepakt.
Alsof Tessa met elke afgeknipte tak iets corrigeerde wat al jaren scheef stond.

Willem dacht aan de buurman. Aan zijn kale schedel, zijn altijd net te strakke T-shirts. Aan de muziek. André Hazes, luid en ongegeneerd.
De buurman wist dat Willem thuiswerkte. Dat had Willem hem ooit verteld, in een poging tot sociaal verkeer die hij later betreurde.

Hij wilde naar buiten lopen.
Hij wilde zeggen: Tessa, doe even rustig. Misschien heeft hij wel gelijk.
Maar hij zei niets.
Vooral geen ruzie.
Het geschreeuw van zijn vrouw maakte hem klein. Bang. Alsof alles op instorten stond. Daarom hield Willem zich aan één regel: wat niet gebeurde, was beter.

Vooral geen ruzie.
Niet met Tessa.
Niet met de buurman.

De muziek galmde een uur later door de muren zoals een pneumatische boorhamer die zijn trommelvliezen zouden openbreken.

Het was geen subtiele overgang. Geen opbouw.
Het was alsof iemand een raam opensmeet en de wereld naar binnen gooide.
Zij gelooft in mij galmde door de muur.

Willem probeerde het een hoopvol nummer te vinden, maar het dreunde in zijn borstkas, een lichte paniek overviel hem.

Tessa kwam naar binnen, met rode wangen. Conifeertakjes op haar trui.

‘Hij doet het expres,’ zei ze. ‘Hij probeert jou te raken.’

Dat was nieuw.
Dat iemand hem raakte.
Willem keek naar zijn scherm.

‘Misschien had je het niet moeten doen,’ zei hij voorzichtig.

Ze keek hem aan. ‘Dus dit is mijn schuld?’
‘Ik zeg alleen…’
‘Je zegt niks,’ onderbrak ze hem. ‘Dat is nou juist het probleem. Jij zegt nooit wat.’

Niks zeggen was een keuze.
Een vreedzame. Een volwassen manier om door het leven te gaan.

Hij ging weer zitten, zette zijn noise-cancelling koptelefoon op.
De cijfers flikkerden.

’s Avonds, toen de muziek was gestopt en de coniferen er gehavend bij stonden, vertelde Tessa dat ze had gehoord dat de vrouw van de buurman was weggelopen.
‘Omdat hij niet luisterde,’ zei ze. ‘Nooit. Altijd ging hij zijn eigen gang. Nooit hield hij rekening met haar.’

Luisteren werd overgewaardeerd. Het leidde tot verwachtingen.

Soms probeerde hij het.
Dan kwam hij met oplossingen.
‘Zat ik te wachten op jouw advies?’

‘Weet je,’ zei Tessa, terwijl ze de vaatwasser inruimde met een precisie die iets dwangmatigs had, ‘soms denk ik dat jij ook zo iemand bent. Iemand die gewoon wacht tot het over is.’

Willem wilde zeggen dat wachten een onderschatte vaardigheid was. Dat veel problemen zichzelf oplosten als je ze met rust liet.
Maar hij zweeg.

Later die avond lag Willem in bed, luisterend naar de stilte. Hij dacht aan de buurman, aan diens vrouw die op een dag gewoon met een andere man naar Turkije was vertrokken. Hij stelde zich voor hoe zij had gezegd dat ze niet meer gehoord werd. Hij stelde zich ook voor hoe het zou zijn als Tessa ooit bij hem weg zou gaan. Hij kon dan niet zeggen dat hij het niet had zien aankomen.

Tessa was altijd duidelijk geweest.
Te duidelijk.
Pijnlijk duidelijk.

De gedachte dat hij er alleen voor zou komen te staan, zonder die wervelwind in zijn leven, kon Willem niet aan.

Hij dacht aan de buurman.
En aan hoe dat eindigde.

Naast hem ademde Tessa onregelmatig.

De volgende ochtend kocht hij een groot bos bloemen. Op het kaartje schreef hij: Sorry.
Hij twijfelde even of hij erbij zou schrijven waarvoor. Maar hij wist ook niet waarvoor. Tessa was kwaad op hem, terwijl hij toch niets verkeerd had gedaan.

Hij wilde dat het weer normaal werd.
Wat dat ook was.

08 maart 2026

Een onschuldige vraag

Anja zei dat ze de hele week niet naar de sportschool was geweest. Terloops, bijna gedachteloos. Meer als een poging tot verbinding dan als mededeling. Klaas zat achter zijn bureau, voor het grote scherm waarop cijfers en grafieken elkaar afwisselden. Alles in huis was meetbaar. De buitenverlichting, de fontein, het stroomverbruik wanneer zij water kookte. Klaas zag het allemaal. Aan het eind van de maand werden de cijfers naast die van vorige jaren gelegd, en naast die van andere huishoudens. Minder verbruik was reden voor tevredenheid. Meer verbruik vroeg om uitleg.

Anja werd er licht onrustig van. Niet omdat ze iets te verbergen had, maar omdat ze zich niet kon voorstellen waarom alles verklaard moest worden. Ze kon leven met onverklaarbare feiten. Met weken die anders liepen dan gepland. Ze wilde schrijven — verhalen, essays — vroeg in de ochtend, wanneer haar hoofd nog openlag. Weggaan midden in zo’n proces, om een les te volgen in een sportschool, voelde als een onderbreking die meer kostte dan ze opleverde. De afgelopen week had ze hard doorgewerkt, alsof haar leven ervan afhing. Geen zin in verplichtingen die konden wachten. Geen sociaal hallo of goede morgen. Thuisblijven voelde als doorgaan met de schrijfflow. Haar brein ratelde door. Het toetsenbord kreeg 270 aanslagen per minuut te verduren. Het lichaam in de kramp. Schouders gespannen. Het komt wel weer goed, wist ze al die tijd. Klaas had elke dag wel een update gehad. Over hoe ze zich voelde. Waarmee ze bezig was. Die zin in sport, in gezelligheid op de sportschool, komt vanzelf wel terug. Anja had er alle vertrouwen in.

Het was zaterdag. Ze had al drie uur achter elkaar geschreven. Haar hoofd stond strak van energie, alsof er te veel was opgeslagen en niets werd afgevoerd.

Klaas keek haar aan, knikte even, en vroeg:
‘Heb je eigenlijk nog wel zin om naar de sportschool te gaan?’

Anja voelde irritatie opkomen. Ze keek Klaas strak aan. Zijn ogen opengesperd met een blik van een onschuldig kijkend kind. Maar potjandorie, hij was geen kind. Hij was een echtgenoot. Zijn blond grijze krullen verstrooid langs de zijkant van zijn hoofd, zijn kruin al heel lang kaal. Zijn groene versleten fleecejack slobberde langs zijn bovenlijf.

‘Wat een rare vraag,’ zei ze. ‘Dan ga ik zeker tegen Marcella zeggen: “Ik heb er geen zin meer in. Kun je de resterende tijd van mijn jaarabonnement terugstorten?”’ Ze zag het al voor zich. Marcella die haar aankijkt en denkt: dit is een grap.

De absurditeit ontging hem. Anja verbaasde zich elke keer weer over hoe hij een deel van de feiten kon vergeten. En er dan iets nieuws van maakte: ‘een week geen sportschool, dus überhaupt nooit geen zin meer’. En dan met zo’n raar navraagzinnetje de hele relationele sfeer gaan verpesten. Waar Anja niets over mocht zeggen.

De irritatie werd bijna boosheid. Niet omdat hij het vroeg, maar omdat hij er iets van maakte. Alsof haar opmerking een probleem was dat opgelost moest worden. Ze kende dat mechanisme. Problemen boden houvast. Problemen kon je ordenen, begrijpen, beheersen. Mensen niet.

Ze zei verder niets. Ze had niets meer om mee te reageren.

‘Klaas, ik ga gewoon weer naar de sportschool.’

Hij zei niets terug. Hij keek haar aan alsof ze even niet helemaal scherp stond afgesteld. Anja keek naar buiten. Zwarte vogels vlogen door de mist. Enkele musjes wipten over de keien in de achtertuin. Ze liep zijn werkkamer uit. Achter haar hoorde ze een zacht, bijna verlegen ‘ik dacht gewoon…’.

Van geen kwaad bewust

Willem was de toeschouwer van zijn eigen leven. ‘Wat vind je er nou van dat ik die kerel voor rot heb gescholden, Willem?’ ‘Moet jij wete...